De veertigdagentijd start met een
duidelijk teken. In een viering met
asoplegging of met een askruisje wil de
christen zich bijzonder bewust zijn van het
feit dat zijn leven slechts een schakel is
in het goddelijk proces van het bestaan. Dat
laatste is tegelijk een duidelijke oproep om
dat bestaan mee uit te bouwen tot iets
moois. Maar in het besef van de eigen
kleinheid wordt de ander weer broeder en
zuster. Zich meer voelen, de realiteit van
de maatschappelijke hiërarchie, het
onderscheid in intellect of vaardigheden,
enz.… het maakt allemaal niets uit in onze
plaats tegenover God en tegenover elkaar.
Aswoensdag zet ons correct op onze plaats in
ons bestaan, en precies daar waar wij
tijdens de vasten willen terechtkomen.
Uitweiding: De asse of as van Aswoensdag
wordt gemaakt van de niet tot stof vervallen
verbrande resten van de "palmtakjes" (buxus)
van Palmzondag van het jaar voordien. De
blijdschap om Jezus toen, wordt nu het
fundament van de inkeer: christenen beseffen
in dit teken reeds waar zij naartoe willen:
naar Jeruzalem, een nieuwe stad. Vaak wordt
ook gewone aarde of zand gebruikt om over de
hoofden uit te zaaien want "Gedenkt, o mens,
dat gij van stof zijt, en tot stof zult gij
wederkeren." Soms worden ook kruisjes uit
klei aan de kerkgangers uitgedeeld.
Nog steeds doet het bijgeloof de ronde dat
«wie zijn kruisje tot Pasen kan houden, van
de pastoor een nieuw kostuum krijgt».