HOEVEN

Hof BOUTEBRUGGE, vroeger zetel van Heerlijkheid en voorheen geruime tijd bij Te Rijst.

(Dit hof is nu (1957) eigendom van de kinderen Galmart.)

Boutebrugge - Bouterbrughe, 1460 - Boutersbrughe, 1468 - Boedebrughe 1487.

Een deel der vroegere landerijen van het Hof Boutebrugge lag op Heikruis, het hof zelf op Bogaarden.

Sommige benamingen van plaatsen, welke bij het pachthof behoorden, schijnen op vroegere versterkingen te wijzen. Ten andere in 1221 was Adam van Boutebrugge, te Heikruis, leenhouder van Engelbert, heer van Edingen. In december 1223 bevestigt dezelfde Engelbert een gift van 7 bunder bos op Heikruis, destijds gedaan door Adam van Boutebrugge, en die hij in leen had van het hof van Edingen. Op 25 maart 1224 bevestigt Jan, deken van St Germain en Péronne, te Mons zijnde, dat een kannunnikes van aldaar (afstammelinge van Adam van Boutebrugge) afstand doet van al haar rechten op een bos, gelegen op Heikruis, en dat de Abdij van Ninove wettig had aangeworven.

Boutebrugge kwam door huwelijk van Walter dou Risoit met Isabeaus de Botebrughe in bezit van de heren van Te Rijst, vóór 1339.

In 1436 verhuurt Sweder van Facuwez, heer van Te Rijst, afstammeling van Thiry de Facuwez (+ 25.12.1380 en x Giertrut du Risoit, het hof van Abraham Bever. Maar Sweder was geen voIle eigenaar van Boutebrugge meer, immers in dit jaar deed Nycholaus van Catthem, aIs leenman van Edingen, verhef voor Boutebrugge. Op 23 Oogst 1442 koopt hij terug van Nycholaus van Catthem het hof van Boutebrugge. Rond 1470-80 was de zoon van Nycholaus, Jan van Catthem x Elisabeth Zuweels, dochter van Sweder Zuweels, leenman van Edingen en voIle eigenaar van Boutebrugge. Zijn dochter was kloosterlinge geworden bij de Cisterciënzernonnen van Wautier-Braine. Jan schonk aan deze abdij 13 bunder land, gelegen op Heikruis en Zanten (Saintes) , leengoed der heerlijkheid van Edingen. De 13 april 1486 verkocht hij aan dezelfde Cisterciënzernonnen het Hof Te Boutebrugge.

Nadat Boutebrugge uit de handen van de heren van Te Rijst was, zou hun stamgoed ook niet lang meer hun eigendom blijven. De opvolger van Sweder van Facuwez, Jehan de Risoet, heer van Bernissart, verkoopt Te Rijst zelf aan ridder Walter van der Noot. Jehan had van Te Rijst nog verheven in 1455, Walter van der Noot doet verhef van Te Rijst in 1466.


Na de afschaffing van de abdij van Wauthier-Braine onder het Frans bewind kwam het hof onder den hamer. Boutebrugge kwam in handen van de opvolgers van de heren van Te Rijst, de familie Huysman, en zo later door erfenis aan de 't Serclaes, de Ghellinck en de Bethune d'Espigneul. Het hof is grotendeels herbouwd in 1810, volgens het jaartal in blauwe baksteen in de gevel gemetst. Vroeger was het enkel onderaan in steen, de rest was lemen muren en het dak uit stro. Na het Frans bewind waren de huurders : J.F. Mariol en daarna Eduard Horlait, daarna Jozef Galmart (zoon van Petrus, Jozef, minor en Maria-Anna Paridaens °28.8.1820 +9.5.1891) x Maria Anna Abbeloos. Pachter Jozef Galmart woonde eerst op het hof Abbeloos (Plaats) te Gooik, waar nu het klooster is der Apostollinnen van Gent. Na hem was het Albert Galmart x Céline Dedobbeleer. Zijn zonen Nestor, Gaston en Albert zijn sinds 1946 eigenaars der hoeve en van het onmiddellijk omliggende land.

Een uitvoerige geschiedenis van Boutebrugge is verschenen van de hand van P. Lindemans in "Eigen Schoon" 1935, blz. 149 en vIg.

Pachters van BOUTEBRUGGE en hun kinderen, vermeld in de oude parochieregisters van Bogaarden.

Uit andere bronnen waren bekend:

Abraham van Bever x Marien van den Bossche (Pachtbrief van 1436)

Pietre Ots, zoon van Claes Ots (Herfelingen) x Maria Hellins (1562) Jacques Lambert, tot 1607. Cornelis Amelrijcx 16O7.

Nicolaas Amelrycx x Marie Faseau tot 1663.

"25 roeden meirsch achtergelaeten int iaer 1666 door Niclaes Amelryckx aende kerke van Bogaerden met den last van een iaergetijde voor syn siele gelegen inden crommenmeirsch tegen de goederen van den huysarme en van Edinghen den pastoor treckt eenen gulden den koster thien stuyvers - soo dat de kercke maer en treck dat het meer wort verhuert aIs het iaergetyde bedraeght."

Nicolaus Huyghe (1672) + 1690 x Kathelyne vander Meeren, die met Corneel Seghers (1691) hertrouwt. Hun kinderen waren : Anna Maria geb. 15.8.1696 ; Cornelius geb. 28.12.1700; Anna Catharina geb. 7.4.1703.

Tot 1720 wordt het overlijden van Cornelius Seghers niet vermeld; nochtans heeft hij in 1719 een opvo1ger als pachter, namelijk :

Jacobus Stevens, uit St Renelde (zoals vermeld in een doopakte te Heikruis 3.10.1738). Hij was zoon van Cornelius en was gehuwd met Francisca Engelbeen. Hun kinderen waren :

Jacoba, geb. 6.9.1725 ; Maria Agnes, geb. 5.5.1723; Johanna, Jozef, geb. 6.9.1725; Joanna Francisca, geb. 13.2.1728.

Klein Boutebrugge.

Op de overkant van de straat bij Boutebrugge, ligt Klein Boutebruggen dat 38 bunder bewerkte (bij Groot Boutebrugge waren het 62).

Het was een kleine grondheerlijkheid, met cijnshoek, leenroerig onder het hof (leenhof) van Bogaarden. Vroeger waren Groot en Klein Boutebrugge wellicht één hof. Het groot Hof te Boutebrugge was een voIle leen van de heerlijkheid van Bogaarden. In 1752 werd Klein Boutebrugge met zijn heerlijke rechten verkocht door Charles Jos. baron de Rahier de Thou, diens broeder Ferd. Jos. baron de Bodeux, enz... aan Barbara Langendries, weduwe van Jan Antoon de Nayre, griffier van Kestergewoud. Na 1880 was op het hof : Jeroom Plaisant (geb. 1813 / +1888).

Daarna Jean Devalcheneer (geb. 15.11.1831 + 30.12.1911) x Celinie Galmart (geb. Herfelingen 28.5.1837 + Bogaarden 16.1.1908). Devalcheneer Galmart was eerst geweest op het hof Galmart, Lienenweg, Bosstraat (nu Detrez). Daarna was er zijn zoon Josse Devalcheneer x Joséphine Delcrois en dan tot nu toe de kinderen van deze echtelingen.

* * *

Hof TERES.

Het huidige pachthof van het kasteel van Te Rijst is een wederopbouw van over een honderdtal jaren geleden. Van het vorige blijven nog enige stukken van grondvesten in de boomgaard uitsteken. Een nog ouder pachthof werd door Walter van der Noot tussen 1464 en 1482 heropgebouwd, ofwel deed het zijn opvolger Karel van der Noot. Jehan de Silly de Rysoet verkocht zijn leengoed aan Walter op 30 Maart 1464; Walter doet verhef in 1466 en op 15 juli 1482 kreeg Walter verhoging van rechtsmacht vanwege Prins Pierre II de Luxembourg, graaf van St Pol enz..., heer van Edingen, omdat hij een nieuw kasteel had gebouwd, dat er nu nog, alhoewel veranderd, nog immer staat, en omdat hij gans het goed terug in orde had gebracht.

De eerste "pachter van der Reyst" in de parochieregisters vermeld was Franciscus Clement + 23.9.1639. Nu nog is een Clement pachter van de "Ferme d'Annecroix" op Bierk, eigendom der kasteelheren van Heikruis. Verder komt nog voor : Jan Clement + 13.8.1667. Waarschijnlijk hebben de Clement’s flink het oog gehouden op het domein toen de van der Noot's wegens hun aanhankelijkheid bij Willem van Oranje en hun overgang tot het Calvinisme naar Holland waren gevlucht. Het goed werd aangeslagen, in erfpacht gegeven en tussendoor werd verhef gedaan door de familie van der Noot. De meester is gedurende geruime tijd op het kasteel niet geweest, en dan moest op de trouwe pachters gerekend worden.

Messire Jean Herman VöIler wisselde het goed, dat hij in de omgeving van Nijmeghen bezat, uit tegen het domein van Te Rijst. De nieuwe kasteelheer was rooms-katholiek. Hij deed verhef door zijn hoge leenheer van Edingen de 31.7.1690.

De 20.7.1695 staat Heer VöIler als dooppeter vermeld van Barbara De Vries, waarschijnlijk dochter van zijn pachter.

Henricus Seghers (+ 3.1713) was pachter van Te Rijst, immers zijn dochter Maria Adriana Seghers staat als meter en filia Henrici ex villa du Risoir vermeld, op 12.7.1723. Op Boutebrugge is Corneel Sehers pachter van 1691 tot 1719. De Seghers behoorden dus tot een aanzienlijke pachterfamilie. De weduwe van Henricus Seghers, Catharina de Ro (uit Herne), bleef pachteres totdat zij overleed op 3.9.1719. Rond die tijd heeft ook Corneel Seghers Boutebrugge verlaten.

De dochter van H. Seghers-De Ro, Catharina Seghers trouwt op 7.9.1719 met Andreas van de Perre (vermeld 13.3.1721 als ex Beringen, parochia de Pepinghen en in een doopakte van 1723 : ex Kestergat). Hij was zoon van Petrus en Joanna Herremans uit Pepingen. Bij de doop van zijn tweelingdochters in februari 1723 is hij vermeld als "villicus du Risoir".

Zijn zoon Leonard, Jozef werd gedoopt op 1.4.1765.

Kapelaan Hendrik van de Perre (kapelaan van Te Rijst 1726-1765) broeder van Andreas van de Perre, was peter in plaats van Leonardus Jozef Fr. Henne de Kempis, heer van Risoir. Dat de kasteelheer peter was toont aan volgens de gebruiken van Te Rijst, dat Leonard van de Perre zoon was van de pachter van Te Rijst. Tot dusver is er geen verband gevonden tussen de van de Perre’s van Noordwest Brabant en die van het Zuiden. In de XVIIIe eeuw waren er in Merchtem en ook in Elingen.

In 1721 was Frans Cosijn x Johanna Paduwar schaapherder op Terrest. Op de kasteelhoeven van het domein werden veel schapen gehouden. Eén der stallen van St Annahoeve was schaapstal; men kan het nu nog merken omdat de vloer plat is : in de koestallen helt de vloer immer af. Op Boutebrugge en Te Bosch hield men ook veel schapen.

Na de Van de Perre’s kwam waarschijnlijk Corneel Duran uit Heikruis x Maria Catherina Spinet uit Lettelingen (Laurent Spinet was in 1765 pachter op Boutebrugge).

Na 1800 waren opvolgend pachter van het Hof Terest :

Hilarion Dechèvre x Josepha, de Marbaix (+ 17.10.1870) en na hem zijne weduwe; dan:

Victor Dechèvre - Carlier, burgemeester ; na hem:

Pierre Vandenabeele - Walravens, tevens pachter van St Annahof (1891-1900).

Eugeen Delattre - Vander Roost, van Kokejane - Herne;

Edouard Horlait, zoon van pachter van Boutebrugge; hij vertrok naar Asse. Dan kwam :

Petrus Niels, gehuwd met Ursula Lodewijck, uit Passendale. Tot aan haar dood in 1947 dreef zij de zaak op met haar drie kinderen. Nu is Omer Niels pachter.

De huidige hoeve werd gebouwd rond 1860 : zij gelijkt fel op de St Annahoeve. Alleen de buitenvensters met spitsbogen in fantasiegotiek, verschillen van die van St Annahoeve, welke een couranten vorm hebben.

ST ANNAHOEVE.

Zij is de tweede van de hoeven van het kasteel van Te Rijst, en ligt er eveneens niet ver af. Aan de keldertrap ligt een steen met de naam Anna de Kempis (+ 24.11.1771 x Sebastian Antoon Huysman), misschien komt de steen voort van de hoeve welke vroeger op hetzelfde erf stond. Die oude hoeve welke de naam van Anna de Kempis bewaarde zal dan ook haar naam aIs St Annahoeve aan de nieuwgebouwde gegeven hebben.

Aan het karrenkot der huidige hoeve zijn basissen van Dorische kollommen gebruikt. Zij komen van de oude kerk die in 1868 werd afgebroken.

Op de Tienbunder stonden daar vroeger twee pachthoven. De grootste waarop Gheys pachter was, lag op de Bosstraat, wat meer naar de kom der gemeente toe dan de huidige St Annahoeve, op de weide, waar nu nog de bornput van het hof is overgebleven.

De familie Ghijs (eIders Gheyst en Geys) moet vanaf het einde der 17e eeuw reeds op het hof geweest zijn. De 29 maart 1706 werd gedoopt : Maria Theresia Geyst, filia et Josinae Kersavent scribere nesciens. De peter was Antoon Gallemaers, sergeant der heerlijkheid, in plaats van de heer Marsil (Jean, Joseph Marsille), procureur van de heer Jean Pierre de Kempis, bail en avoué van vrouwe Jeanne Vendeline Marie-Thérèse de VöIler, echtgenote van heer de Kempis en vrouwe van Risoir. Meter was Maria Grosse ex Walebrabantia (uit Beert) + 14.8.1727 en echtgenote van Ant. Gallemaers, voor vrouwe Maria Theresia VöIler.

De Gheys moeten welhebbende boeren geweest zijn : Andreas Gheys huwt met Catharina van de Perre, dochter van Andreas en Cath. Seghers.

De 3.8.1815 werd geboren Joanna Maria Geys, dochter van Henricus uit Herfelingen en van Anna Katharina de Mil uit Heikruis. Hebben de de Mil's het eerste hof of het tweede pachthof bewerkt ? Of soms de twee te samen ?

In 1723 werd geboren Theresia de Mil, filia.. ex Kester et Cath. D’Hollander, ex Moes in Wasia. Meter : nog eens Maria Odila Grosse loca Dnae Theresia VöIler Dom. de Risoir. De 27.5.1797 werd gedoopt Catharina Theresia de Mil dochter van Franciscus Jozef Bennoni de Mil en van Anna Catharina de Mil.

Leonardus Franciscus Josephus Benno de Mil was zoon van Jan en van Barbara Weverbergh. Zijn peter was sergeant der heerlijkheid Ant. Gallemaers in naam van heer L.F.J.B. de Kempis. Jan de Mil, de vader zal dus weI een pachter van het kasteel geweest zijn. Jan de Mil is misschien pachter geweest op Te Rijst tussen Andreas van de Perre en Corneel Duran. Twijfel is er nochtans, want de pastoor schrijft in dat geval bij de naam van de vader : "villicus de Risoir".

Van het echtpaar F.J.B. de Mil en Catharina de Mil zijn verscheidene kinderen vermeld; het laatste was Marin Rosalina geboren op 3.3.l8l0. Van Petrus Joseph de Mil, geb. 21.2.1804 en + 7.2.1877 was meter Catharina Josepha Marsille. Dit wijst op betrekkingen met het kasteel; reeds werd er hoger op gewezen. (De familie Marsille was afkomstig uit Lessen).

Moeilijk is het uit te wijzen op welk der twee hoeven de de Mil's of Gheys waren, te meer uit oorzaak van de verwantschap tussen de twee families. De moeder van J.B. Paridaens, mulder op de stenen molen, was Maria Theresia Gheys, hierboven vermeld. M.Th. Gheys schijnt voor muldersvnouw bestemd te zijn, haar meter was Cath. Th. Lepers, maalderes op de molen van Bellingen.

In 185l staat vermeld het overlijden op 28 september van Anna Catharina de Mil, weduwe van Hendrik Gheys, op 8O-jarigen ouderdom. Het schijnt dat de Gheys ten onder zijn gegaan. Rond 1880 woonde nog Gheys op de Heikruiskouter aan de Kapelleweg in een lemen huisje, aan de overkant van het huidig hof Langhendries. Het was een sukkelaar, bij wie de ondeugende schooljongens van die tijd hun fratsen gingen uithalen.

Rond 180O was Gabriël Walraevens uit Braine x Josepha Bablet (eIders Beublet en ook Bablie) uit Lettelingen pachter van St Annahoeve. Daarna was het zijn zoon, die jongeman bleef. Hij overleed op 2 december 1861 in de ouderdom van 87 jaar.

Rond 1868 werden de twee hoeven bij St Annahoeve afgebroken. Pachter was toen Jean Charles

Walraevens x Marie Laserre. Hij woonde eerst op een der twee oude hoeven, dewelke stond op de plaats achter het huidig karrekot, waar de groenseltuin is. Gedurende de bouw deed pachter Walraevens al de corvees van vervoer, maar pas had hij het nieuwe hof betrokken of er kwam betwisting met de heer over de gedane corvees en zijn pacht werd opgezegd. Bij de pachter woonde in zijn zuster Catherine x 1° Guillaume Ferdinand Eenens x 2° Phil. Jos. Nerinckx.

Voor de tijd van twee pachttermijnen, 18 jaar, was pachter van St Annahoeve de heer Paternotte uit 's Gravenbrakel. Na hem kwam als opvolger van de familie Walraevens de heer Pierre Vandenabeele x

Walraevens. Gedurende negen jaren, van 1899 tot 1908, had hij tevens het hof van Terest. ln zijn dienst was voor het St Annahoeve de weduwe Vanderstokken met hare zeven kinderen; haar oudste dochter was 17, haar oudste zoon 15, noeste werkers die hun taak ter harte namen en nog immer door de Vandenabeele's geacht worden. Zoon en dochter van de h. P. Vandenabeele, Jozef en Sidonie zijn nu nog op het hof.

Heerlijkheidsmolens van TE RIJST.

Bij de verhoging van de rechtsmacht der vander Noot's door Pierre II de Luxembourg, heer van Edingen, is er spraak van molens. Misschien was er buiten de houten molen van Terlinden een watermolen op de Haerebeek.

In de Molenstraat, nabij de Vier Armen stond vroeger een windmolen, die aan het Kasteel toebehoorde.

Het dodenregister van Heikruis vermeldt: in mei 1602 het overlijden van Adriaan van Buercht, mulder van Te Rijst.

Gedurende de slag van Steenkerque op 3 oogst 1692 (tussen de Maarschalk van Luxemburg voor Louis XIV van Frankrijk, en de Prins van 0ranje met Willem III van Engeland), had een Frans Kapitein der Karabi- niers een observatiepost op de houten molen. In 1719 is J.B. Orins x Adriane Daminet, zoon van de maalder van Tollembeek, vermeld als maalder van "Risoir". Het betreft hier een zoon van de maalder van de “Oude Molen", rond 1629 opgericht te St Pieters Kapelle (grens Tollembeek), door Adriaen van der Swaelmen, mulder te Geraardsbergen. De andere molens van Tollembeek zijn maar na 1721 opgericht. De oudste molens aldaar waren watermolens : Wielant 1474 en Heetvelde 1575; sommige waren reeds verdwenen zoals Schiebeek 1259 en Mottinge 1474.

De 6.2.1731 wordt J.B. Orins, aIs Peter, genoemd "moliter in mola du Risoir". Hij was gehuwd met Anna Agneesens uit Heikruis, zij staat vermeld als meter met titel : "uxor molitoris in Risoir". Oudere van dagen weten nog dat een Jozef Orins mulder was op Te Rijst. Hij gaf het op om in Pepingen-Trop te gaan wonen.

Na hem kwamen de maalders Van der Houdelinghen en Van Lieferingen en na deze Jozef Geeroms, gehuwd met de zuster van de toenmalige veldwachter Bosmans.

Tot in 1860 was er voor de pachters van de heren van Te Rijst verplichtingen om hun tarwe, koren, haver en zwijnaard op de molen van Te Rijst te laten malen. (Pachtbrief o.a. van Jerôme Plaisant).

Rond 1890 kocht Geeroms de molen af van Burggraaf Jolly. De houten molen werd afgebroken en men maalde van dan af met "moteur".

Op Geeroms volgde Cornet, bijgenaamd "Pater". Zijn echtgenote was een dochter van de maalder Van den Schrieck van de Caronjemolen te Herfelingen.

Sinds 1930 is de molen eigendom van Nestor Simons. Hij vergrootte en verbeterde huis en molen.

De leenheer van Edingen, vóór de Franse Omwenteling, had recht op het derde van de winst van de molen van Te Rijst, zonder verplichting te moeten tussenkomen in de kosten van eventuele herstellingen.

Particuliere Molen. DESCAMPSMOLEN-KAMSM0LEN.

 

In 1785 bouwde J.B. Paridaens-Descamps aan de hoek der baan Heikruis-Hondzocht en de Molenstraat naar Bogaarden een stenen molen en een molenaarshuis: Kamsmolen en Kamshof genaamd. Kams is een vervorming der naam der muldersvrouw Descamps. De molenaar Charles-Louis Paridaens (ook Pardaens) geb. 8.9.1794, maakte er in 1852 een olieslagerij. Stukken en brokken van het getuig liggen nog in en aan de molen. De Paridaens zijn een oude familie van Heikruis en Bogaarden; de Descamps waren afkomstig uit Halle. In 1890 werd de molen vier meter hoger opgemetst. Molen en molenhuis bleven eigendom der familie Paridaens totdat de molen op 30 april 1931, door de juffrouwen Elodie en Colette Paridaens verkocht werd aan maalder René Depauw uit Esschene (Brabant). De molen geraakte zijn wieken kwijt; onder de oorlog van 1940-45 werd de kap doorgeschoten en later woei ze af. Eerst werkte maalder Depauw met een armgasmotor, maar toen er moeilijk aan kolen te geraken was, gebruikte hij een elektrische motor. Aan de molen werd een huis gebouwd. Natuurlijk is de molen lang niet zo mooi meer zonder kap en wieken, alhoewel hij in het landschap anders zeer schoon zou passen.

Het Kamshof werd verkocht aan de gebroeders Galmart van Boutebrugge.

De maalders Paridaens waren na het Concordaat van 1802 anticoncordatist, of zoals men gewoonlijk zegt, Stevenist geworden. In het doopregister van Heikruis schreef onderpastoor Bruwier na een akte van 10.4.1817, in het Latijn een nota, waarvan de vertaling luidt:

Sommige parochianen hebben de katholieke kerk verlaten voor een secte welke wij die der Stevenisten noemen. Enkele priesters zonder de eenheid der kerk in acht te nemen, hebben die mensen hiertoe gebracht. Vier der kinderen Paridaens werden door Pastoor 'Winnepenninckx uit Leerbeek gedoopt, zonder ceremoniën, maar deze werden er achteraf door hem bijgedaan, er werden hun dan ook peters en meters gegeven. Voor al deze kinderen te samen werden op 20.10.1815 de ceremoniën door pastoor Winnepenninckx bijgevoegd.

Hij ook ondertekende de getuigschriften welke zonder meer in het parochiaal doopregister door E. H. Bruwier werden overgeschreven, toen de familie tot de katholieke eenheid terugkeerde. Ook de Borremans kwamen over. Vóór het concordaat zijn nog volgende kinderen vermeld in het doopregister : Carolus, Ludovicus, geb. 8.9.1794 en Catharian, zijne tweelingzuster. Maria Anna, geb. 12.4.1796 + 21.1.1866.

De eerste maalder J. B. Paridaens was geboren 5.5.1768 was zoon van Carolus uit Bogaarden en van Maria Theresia Ghijs uit Heikruis.

Vrij HOF TE ROETAERT, wellicht zetel van heerlijkheid. Later: MEIERSHOF.

In de “Grafschriften in het Land van Edingen” uitgegeven in Annales du Cercle Archéologique d'Enghien wordt Heikruis vermeld met een hof Te Roetaert. In de Renteboeken der Kerk van Heikruis is er spraak over het Hof en zijn bewoners. De boomgaard van Meiershof (nu Horlait-Lievens) draagt op het kadaster de naam van Hof Te Roetaert (Sectie B nr 386). Het Atlas der Wegen (Plan 3, nrs 109 , & 110) vermeldt dezelfde benaming voor een hoek van de Neerstraat (Heerstraat) en hofgat van Meiershof.

Volgens Hs. nr 1512 van het Fonds Goethals in de Kon. Bibl. te Brussel, was er in de Kerk van Heikruis een schilderij met volgend opschrift :

 Mothingen wettich wijf was van Lodewijc de Coulsrere (beter Cousnere) die stierf in haerlieder hof ten Roetaert int jaer ons

heren XVc ende X den XI dach ter maent van Meerte.

Bidt voor haer siel.

Bij het opschrift waren er volgende wapenschilden :

1) gedeeld :

A. van zilver met drie rozen van keel, met goud geknopt.

B. gekwartileerd : 1 en 4 van azuur met zeven halve manen van zilver en boordsel bedekt met hetzelfde. 8 en 3 van zilver met baar van keel. Helmstuk : Hoofd en hals van een paard, van zilver met gouden manen.

2) gedeeld :

A. de wapens als hierboven en

B. van zilver met zeven ruiten geplaatst in band (hetzelfde wapen als van Ophem, destijds heer van Tasseniere. De van Ophems waren verwant met de van Heetvelde, Van Etten en Halmale van Tollembeek.)

Rechem: van zilver met koper van sabel en boordsel gebekt van het zelfde.

Kereghem: van sabel met drie zilveren welpen.

0lgsterzele (Oosterzele ?) : van sinopel met faas van keel beladen met drie rozen van zilver.

In het renteboek der Kerk van Heikruis, 1638, is een stichting van jaargetijde voor deze echtgenote vermeld:

" van Franchoys Pollart comende van Lodewijcke de Causenere en Je Elisabeth van Mottinghe voor haerlieden jaergetijde en twee bunder lant op den Verniecauter... twe stack kersen om te bernen.alsoo langhe als den dienst duren sal twelft spinden om thofferen ende sesse kerssen elcken virendèel wash te weten een op het H. Sacramentsdach op 't h. pasdach, half Oost een op het H. Kersdach lichtmisdach ende een op Alderheilighendach alsoo langhe als de hoochmisse duren sal aan den prochiaen IIII st. aen den coster II st."

Jan de Causenere, zoon van Josse, doet verhef 4.2.1597.

In 1609 straat in het doopboek opgegeven als meter van Michaël Mot : Francisca de Causenere.

Jan de Causenere, zoon van Jan, hoger vermeld, deed verhef 14.12.1652, bij tussenkomst van Tomboy, gevolmachtigde van zijn vader.

17.2.1658 doet Michel Clement verhef door afkoop bij Jean de Causenelre, van 5 dagwand labeurland en Hoogbundelingghekouter.

9.6.1639 doet Maria de Causener, weduwe van Jean Petit verhef van 3 bunder labeurland op het Sijp, door aankoop bij Pierre Ruysschaert.

1.4.1654 doet Jan Petit, priester, zoon van voorgaande, verhef.

In 1658 koopt Michel Clement de Roetaert.

In 1673 is het hof aan Marie Clément, en door erfenis gaat het naar Jean Baccard x Marie Clément.

In 1668 aan Jean Baccard, zoon van voorgaande, en daarna in 1716 aan Adrien Paridaens. In 1706 ligt het hof in puin, zoals blijkt uit de kerkrekeningen, men noemt het immers "ci-devant manoir". De verwoesting is waarschijnlijk aan oorlog te wijten, want vóór 1706-07 krijgen nog andere kwijtschelding van rente.

In 1745 aan Charles Paridaens, zoon van voorgaande, en daarna aan J. Paridaens, zoon van voorgaande, en daarna aan J. Plaisant.

Het woonhuis, de "manoir" van Te Roetaert lag aan de Neerstraat, links van het hofgat van Meiershof. Men vind er nog puin en grondvesten o.a. groene schilferachtige zandsteen “arkose van Tubeke”. Op de boomgaard er nevens werd lang groene zavel gestoken, wellicht vroeger ook steen gespoeld. Het woonhuis van te Roetaert lag veel hoger dan dat van het Meiershof. De h. J. B. Paduwat, wiens familie reeds lang op de Eeckhoudt woont, weet van zijn grootvader dat men vroeger van den Eeckhoudt een kasteel kon zien, bezijden de kerk, boven op de heuvel. Dat was zeker de "manoir" van Roetaert.

De hofmuur is nog grotendeels die van te Roetaert. Jozef Plaisant x Judith Flasschoen, beiden uit Hoves, waren naar Heikruis komen wonen. Zij kochten het erf van Te Roetaert en in 1789 bouwden zij het Meiershof. Joz. Plaisant was reeds in 1735 meier van Heikruis.

A. Jozef Plaisant x Judith Flasschoen hadden volgende kinderen : 1) Barbara, geb. 14.3.1724; 2) Adriaan, geb. 17.3.1729; 3) Petrns, Jozef, geb. 1742 + 4.11.1818.

B. Petrus Jozef Plaisant x Maria Anna Vetsuypens was meter vóór het Frans Bewind, hij nam ontslag, maar was terug maire in 1808 tot 1818. Zijne weduwe bestuurde het hof tot in 1840.

Zijn zoon : Petrus, Johannes geb. 1783 x 6.21.1805 Anna Fauconnier geb. 1780, was maire van 1818 tot 1823. Zij hadden volgende kinderen: 1) Jan Baptist, Martial, geb. 19.7.1806; hij was burgemeester tot aan zijn dood (+ 30. 8. 1877.) Hij woonde op het hof en liet er een verdiep op bouwen. Er moest ook een torentje op met een klokske : de burgemeester ging nog al eens zijn land bekijken, altijd per blauwe kiel en met een zwart bolhoedje op zijn hoofd. Waartoe moest het klokje dienen ? De meid was oud geworden, en bij een burgemeester komt nog al eens bezoek; de meid zou voortaan het veld niet meer moeten aflopen om de baas naar huis te roepen ... Maar de mens wikt en God beschikt: eer het torentje met zijn klokje er waren, Was de burgemeester bij den Here. Het bolhoedje van Martial Plaisant was beroemd geraakt in de gemeente, men maakte er een liedje op :

"Zwarte van Meiers kocht hem 'nen hoed
in 't beginsel van zijn leven.
Hij droeg hem zestig jaren lang
en heeft hem dan nog weggegeven."

Martial Plaisant was jongeman gebleven, wel gewenkt en zuinig geleefd, goed gespaard : zijn neven en nichten zijn er wel bij gevaren.

Op Martial volgde nog :

2) Maria Anna Jozefina geb. 20.l.18OB + 18.11.1840.

3) Petrus Jozef Longinus Desideer, geb. 6.9.1808 + 8.9.1833, was diaken in het Aartsbisschoppelijk Groot Seminarie te Mechelen.

4) Maria Ludovica geb. 17.3.1811.

5) Jeroom geb. 25.10.1813 + 1888 x Seraphine Mariol, was pachter op Klein Boutebrugge. Zijn zoon Pierre Plaisant woonde op het hof.

6) Marcellinus, geb. 16.l.1816 x had begonnen met een hof te bouwen aan de Neerstraat, waar de vroegere Brusselweg, uitgaande van aan de oude kerk, uitkwam nevens het huis, nu bewoond door de gepensioneerde postbode J. B. Vanbellinghen. Een stuk van het huis was, gebouwd, ook stal en schuur, toen het hof Leheuwe, nu bewoond door Mevr. Nuttinck-Dechévre vrijkwam, omdat de eigenaar naar 's Gravenbrakel vertrok. Marcellinus Plaisant kocht het hof en maakte huizen van zijn begonnen bouw. De zoon van

Marcellin, Léon PlaiRant volgde hem daar op en verkocht bof en boomgaard aan de huidige bewoners (Dechevre).

Buiten de vermelde kinderen van P. J. Plaisant waren er nog :

7) Maria Desideria, geb. 26.1.1819 en

8) Gommaar, geb. 2.6.1820.

Pierre Jozef Plaisant die het Meiershof bewoonde had geen kinderen en liet het hof aan Josse Plaisant; deze was er gedurende een tijdje op als jongeman, huwde dan met Sidonie Duran, maar verliet het hof om eerst te gaan wonen op de hoek der Plaats en Molenstraat. Dan bouwde hij een huis (nu Alf. Detrez, smid).

Gedurende een zekere tijd was Léon Duran, schoonbroeder Van Josse Plaisant op Meiershof. Op de boomgaard, aan de Neerstraat, liet hij, zoals Pieter Jozef Plaisant, zavel steken aan 2 Fr de bakkar. De groene zavel was van de laag waaruit de steen “arkose van Tubeke” gespoeld werd. Deze steen is in kleine hoeveelheden gebruikt geweest aan het hof Te Roetaert, Tasseniere en Klein Hof Ten Bosch. Ook enkele grote plaveien der oude kerk kwamen van daar.

Na de plotselinge dood van Pierre Jozef Plaisant kwam zijn broeder Josse, ook zoon van Jeroeme terug op Meiershof, daarna was het zijn dochter Maria Plaisant x Dieudonné Horlait. Eindelijk is er de huidige bewoner, hun zoon, gekomen: Urbain Horlait-Lievens, landbouwer en veekoopman.

HOF TE TASSENIERE, vroeger Cijnshof.

In de stichtingsakte van O.L.V. Kapelanie van Te Rijst ten jare 1326 is er spraak van Irnous de Tasniert. Leenman van te Tasseniere was in 1506 Jan Bernaige, heer van Percques of Parcque, en na hem Inglebert Bernaige, heer van Kraainem.

Antonius van Ophem wordt, bij verhef van een klein leengoed, op 20 juli 1584, gezegd schildknaap en heer van Tasseniere. Er werd door Antoon van Ophem een stuk land, drie bunder, van Tasseniere, verkocht aan Jacques Pletinckx, ontvanger van Vloesberg en Lessen.

In 1670 moest Jacques de Langerode, schildknaap, Tasseniere verkopen aan Philippe Charles Massiet, schildknaap. Hij had een rente van 128 pond tournois (het pond tournois gold dan 1.82 goudfranks) niet kunnen betalen. De rente stand er sinds 23.12.1665.

Dan komt Marie Th. Dansart, weduwe van Ph. Charles Massiet.

Daarna gaat het goed terug aan de echtgenote van J. de Langerode, vrouwe van Fontaine. Zij gaf Tasseniere aan haar schoonzoon Felix de Tabaoda op 16.8.1710.

De 23.9.1713 werd het goed te koop gesteld, omdat sinds twee jaren de rente van 1665 niet betaald was. Tasseniere werd eigendom van Philippe de Blaines, schildknaap.

De 28.5.1714 ging Tasseniere over aan vrouwe Jeanne Marie Husmans, douairière van J. B. Spruyt, heer van Puttenherg, -Waver, enz.

Volgde haar zoon Charles Eugène Spruyt en verder jonkheer Emmanuel Charles de Partz, burggraaf van Kortrijk, heer van Puttenberg, neef van Dh. Eug. Spruyt. Einde.lijk kwam het aan jonkheer Hyacinth Emmanuel Marie de Partz (11 jaren oud), met als voogdes, zijn moeder Marie Antoinette Ursule de Partz.

Op 5.12.1838 verkocht Jacques Theodoor Joseph Charles Ghislain de Partz, burggraaf van Kortrijk, wonende op het Kasteel van Jondrain het hof aan Pieter Vandenberghe, landbouwer op het Hof Ten Neufken (Bogaarden). Deze koop betrof de hofstede met woning, stallingen, schuren en afhankelijkheden, tuin, weide, meers en landerijen, alles samen 2 ha 88 a.

Pieter Jan Vandenberghe stierf te Heikruis op 28.8.1860. De erfgenamen waren Van den Berghe Catherina, Josephina, pachteres te Heikruis; zij had alleen vruchtgebruik. Maria Anna Van den Berghe, geb. Bogaarden 29.6.1795 x J. B. De Valckeneer, geb. Heikruis 10.1.1788 + 5.10.1875, schepen en pachter te Heikruis en Petrus Jozef Van den Berghe, pachter van Ten Neufken hadden naakten eigendom, door elk voor de helft. Catherina Josephina verzaakte aan het vruchtgehruik de 15.10.1865; zij stierf de 15.12.1865 : de twee andere werden alzo volle eigenaars.

Pierre Jozef Van den Berghe x Sophie Verheyden stierf 1.4.1879. Zijn vrouw erfde voor de helft. Door erfenis gaat de 21.3.1883 de Tasseniershoeve (“Nieuw Ten Neufke” genaamd, omdat zij destijds door de pachters Van den Berghe van Ten Heufken was aangekocht) aan de minderjarige kinderen van Joos Galmart + 27.2.1880 x Catharina Devalcheneer + 17.1.1878, in leven pachter was van Ten Bosch. Deze minderjarige kinderen waren : 1) Jan-Baptist (werd priester) ; 2) Victor, August Emmanuel; 3) Marie, Leontine; 4)Jozef; 5) Jozef Theodoor.

Sinds 18 september 1942 behoort het Hof Te Tasseniere (van Tasnière = dassenhol), met meestal de landerijen welke er van ouds bijwaren, aan de weduwe van Thedoor GaImart-Van Lathem en kinderen. Theodoor was de jongste van Joos.

Op de weide, vóór het hof Te Tasseniere, palende aan de Molenstraat, ziet men duidelijk dat er puinen onder liggen.

Gedurende de oorlog 1914-18 werden daar kelderingen blootgelegd. De stal van het huidig hof draagt in de ankers het jaartal 1755, de oude koestal 1737. Het overblijvende deel van het vroegere woonhuis draagt ook in de ankers 1737. Aan de schuur zijn stukken grijsgroene zandsteen van Tubeke, van de afbraak van oud Tasseniere gebruikt.

De Langerode's en Tabaoda's (1665-1713) schijnen er maar schrap voorgezeten te hebben. Het hof was waarschijnlijk vervallen en herbouw was nodig geworden. De familie Spruyt was rijk en zal Tasseniere na de aankoop in 1714, weldra voor herstel in aanmerking genomen hebben.

* * *

In vroegere tijden vestigden de inwoners zich bij voorkeur bij bronnen en waterlopen en op moerassige gronden. Water was nodig voor mensen en dieren en als de woonst op een mote met wal omringd, met moerassige grond in de omgeving, gelegen was, dan kon men ze gemakkelijk verdedigen.

Zo was het voor het Hof te Plutsingen. De oude mansie van Te Rijst was aan de Haerbeek, het eerste eigenlijk kasteel eveneens en ook was de Schapenvijver erlangs. De Mortaignebeek en meerdere vijvers waren bij Boutebrugge. Ten Bosch lag eveneens aan de Mortaignebeek en vijvers. Bij Te Roetaert waren twee bronnen van de Rassaertbeek : achter de schuur van Tasseniere is een bron die in een beek uitloopt, naar Pepingen toe.

Hof Te PLUTSINGEN

Het Hof Te PLUTSINGEN schijnt een vrij hof geweest te zijn. Er is geen spoor van verhef bij het leenhof van Edingen. Boutebrugge verhief van Edingen, de Roetaert voor enkele stukken. Tasseniere behoorde aan de heer van Waver-Puttenberg, die zelf van Edingen verhief. De eigenaar van een cijnshof had aan zijn leenheer maar een cijns te betalen, maar voor de rest was hij vrij van lasten en corvees. Boutebrugge was een zetel van heerlijkheid. Te Roetaert schijnt dit ook geweest te zijn. Voor Tasniere is in 1326 Irnhout de Tasniert vernoemd, en Anthonius van Ophem noemt zich in 1584 heer van Tasniere.

Buiten vermelde hoven welke vrij, zeker of waarschijnlijk zetel waren van heerlijkheid op Heikruis, onder het Oud Regiem, 15 grote en 25 kleine lenen, afhankelijk van het leenhof van Edingen. Oninbaar waren daaronder 7 grote en 5 kleine lenen (Zie Féodalité au pays d'Enghien. Ann. C. Arch. Enghien, 1.4.blz. 381 vlg.).

* * *

 Volgens de Archieven van de prinselijke familie van Arenberg werden de rechten voor verhef van lenen, afhankelijk van het Hof van Edingen, altijd in gouden munt gekweten. Gedurende de XIVe eeuw gebeurde het in oude "pieters" van Leuven en oude "soudi' van Frankrijk. Vanaf 1436 gebruikte men de "rijder van Bourgondië" van Philip de Goede : men verleende hem een waarde van vijf sols groten van Brabant of twintig paters.


In de XVIe eeuw en begin der XVIIe gold de "rijder" 30 paters. Door verordening der lnfante Isabella, 27 september 1627, moest het verhef of "hergeweyde" in gouden rijders betaald worden, de rijder geschat op 3 gulden en 19 paters Brabants.

De Brabantse gulden gold 1/6 van een pond Vlaams of 7 pond en 10 schellingen parisis. In 1600 was het pond parisis 2.57 Fr; in 1650 : 1.82 goud waard. Het is zeer moeilijk de juiste waarde van het oud geld te bepalen. Meest praktisch zou zijn : nazien wat men er toen kon voor kopen en met de huidige prijzen vergelijken.

Volgens fiscaal recht werden de lenen verdeeld in "volIe" en "kleinere" (fiefs amples et fiefs liges) ; volle lenen waren diegene welke 10 gouden rijders ‘s jaars moesten betalen, of indien zij niet van zulk belang waren, toch volle rechtsmacht bezaten. Als volle leen werd aanzien die welke een feodale rente van 10 rijders moesten betalen. Lijfrente en vruchtgebruik betaalden maar half recht.

Kleine lenen betaalden voor verhefrecht een "rouf", dat is de waarde van de gemiddelde opbrengst van de laatste drie jaren, vast te stellen onder eed, of bij middel van gelijk welk ander bewijs. Voor alle lenen kwamen daarbij nog de rechten voor de Soeverein, akte en leenmannen. (Ann. C. Arch. Enghien, I.-4-blz. 129).

* * *

De Galmart's hebben sedert minstens een paar honderd jaren pachthoeven in gebruik of eigendom gehad te Heikruis en aan de grens ervan te Bogaarden en Herfelingen. Volgt de lijst van die hoven en, voor zoveel er nog niet werd gehandeld, een korte nota:

1) Hof Ten Neufken (Bogaarden). Zie uitgebreide nota verder.

a) de Nayre, Joos, Jan en Alexiens. Vroeger de Heuwe ?

b) Gilis Walraevens x Catherina Duran.

c) Petrus Walraevens x Anna de Mol; weduwe hertrouwde zij met:

d) Adriaan Covens, geb. 1705.

e) Jan Francis Galmart x Theresia Covens.

f) Adriaan Van den Berghe (+ 3.5.1836) x Anna Walraevens, geb. 26.7.1767 +7.2.1830.

g) Pieter Jan Van den Berghe. Hij kocht het hof Te Tasseniere.

h) Petrus Jozef Van den Berghe x Sophie Vanderheyden.

i) De Valckeneer x Anna Maria Van den Berghe.

j) August Maes x De Vroede

k) Victor Claes x Alice Devalckeneer.

1bis) Klein hof Te Neufken.

Nu Paridaens August; was vroeger eigendom van de Van der Berghe's van Ten Heufken. Door erfenis is het nu eigendom van de heer Janssens-De Stordeur te Tubeke.

2) Hof Ten Bosch.

De pachters van Ten Bosch waren :

a) Adriaan Jozef Galmart, zoon van J. F. Galmart en Th. Covens x Maria Anna Francisca Van den Heuvel. A.J. Galmart stierf op 6.4.1837. Alvorens op Ten Bosch te gaan was hij een tijdje op het hof Orincx (Trop).

b) Petrus Jozef Galmart, minor x Maria Anna Paridaens.

c) Joos Galmart, zoon van voorgaande, x Jeanne Catherina Devalckeneer.

d) Jan Baptist Galmart x Pauline Vander Motten

e) Jozef Galmart x Maria Vanderpoorten. Alvorens ze gaan rentenieren op Heikruis, was hij nog een tijdje op het hof "Hoge Schuur" te Pepingen.

f) Emiel Seghers, en daarna zijn weduwe en kinderen.

g) Raymond: Peeters.

3) Klein ten Bosch.

a) ln 1840 de weduwe A.J. Galmart-Vanden Heuvel

b) Petrus Jozef Galmart, welke tevens Ten Bosch behield.

c) Theofiel en Antoinette Galmart, kinderen van voorgaande, op ," Klein ten Bosch alleen.

d) Victor Galmart, zoon van Joos en C. Devalckeneer x Marie-Louise Vander Roost en daarna 1934 samen met hun schoonzoon :

e) Octave Van Ongeval x Paula Galmart.

4) Hof Risseloo.

Adriaan, Jozef Galmart x M.A. Vanden Heuvel.

5) Hof Te Tasseniere.

a) P.J. Vanden Berghe (zie 1) g)

b) De kinderen van Joos Galmart x Catharina Devalckeneer (Ten Bosch),

c) Theodoor Galmart x Celine van Lathem.

d) We Th. Galmart en kinderen.

6) Hof Te Plutsingen. (Hof van Cieskens).

a) Theodoor Galmart, zoon van Petrus, Jozef, minor, x 1° Dorothea Paridaens, 2° Antoinette Van Lathem; van deze laatste :

b) Josse + 1942 en Jan-Baptist.

c) Charles Langhendries x Vander Motten, sinds 1947.

7) Hof Te Boutebrugge.

a) Jozef Galmart, ook zoon V,3n Petrus Jozef, minor, x Anna Abbeloos, eerst op het Hof Abbeloos, Plaats te Gooik.

b) Albert Galmart, zoon van voorgaande, x Celine De Dobbeleer.

c) Nestor, Gaston en Albert (+ 1959), zonen van voorgaande.

8) Kamshof. (Molenstraat : Frans Panny 1968)

Gaston Ga.lmart, zoon van Albert en Celine De Dobbeleer.

9) Hof in de Ziekenhuisstraat.

Jules Galmart x Nathalie Sterckx.

Hof Ten NEUFKEN.

Dit hof, alhoewel op Bogaarden gelegen, heeft nochtans voor Heikruis belang, omdat, alvorens op Ten Bosch, Tasseniers, Boutebrugge, hof Te Plutsingen en Risseloo te boeren de familie van Ten Heufken was.

Het hof was eigendom der Abdij van Cantimpret-Bellingen, totdat het op 29.1.1793 werd aangeslagen en als nationaal goed verkocht werd, aan de familie Claes, die een hoeve en landbouwstekerij uitbaatten in Lembeek. Na 1878 ging ten Heufken over in het bezit van de familie Tserstevens-Claes. Nadien waren te Heufken en nabi,j gelegen kleinere hof Paridaens eigendom van Juffrouw Sophie Verheyden (Bogaarden) x P. J. Van den Berghe. Daarna kwam Ten Heufken aan de familie Pierre Van der Meersch, en het hof

Paridaens aan Janssens-Destordeur (Quenast), door erfenis.

Landerijen van Ten Heufken verhieven van het hof van Edingen :

« 1655. Un bonnier 40 vergas sur le Heuvene (oninbaar volle leen) ». Een belangrijk stuk op Ten Heufken hing af van het hof Boutebrugge :

« 1744. Treize bonniers terre et prés sur le Huve. »

Hoe kwam het hof aan zijn naam ?

Wellicht door pachter Jan de Heuwe +12.1.1712, en zijn zoon Jan, baljuw, 27.3.1712. Hun grafzerk ligt onder het hoogzaal in de kerk van Bogaarden. Na de De Heuwe's kwam Jan Peeters x Anna Peters, baljuw. De datum van overlijden van Anna Peeters wordt niet vermeld. Na J. Peeters komen Joos, Jan en Alex. De Nayer en daarna Gilis Walraevens, die zijn "Memorieboek" van Ten Heufken begint in 1732. Hij was evenwel reeds pachter in 1729. Zijn echtgenote was Catherina Duran. De pachterijen staan in het memorieboek vermeld : "Voor een huis en andere gebouwen, hof, enz. met verschillende stukken weide, ter grootte van 5 bunder, daarbij 3 bunder bos en 29 bunder 3 dagwand en 33 roeden zaailand : te samen 37 bunder 3 dagwand en 33 roeden was de huurprijs : 565 gulden, 10 penningen, 25 syster sukerioen (gerst) , 2 koppen kiekens, 300 schoven tarwe en alle drie jaar een os. In 1772 werd de som in geld te betalen verhoogd tot 1000 gulden (vlg. Staatsarchief, Brussel, rekeningboeken der Priorij van Bellingen. Cit. Klein Walsch Brabant, Everaert en Bouchery).

Gillis Walraevens, broeder en zusters, hadden bovendien nog in huur van Joos de Neyer tegen 80 gulden per jaar : "sesse bunder lant, noch een dagwant lant van een half bunder meers : zeven bunder min een dagwant met den mers". Daarna nog : "ten eersten seven dagwant lant achter de kercke te Heycruyse. Item nogh twee dagwant meers te Heycruyse. Te Bogaarden achter Luipekens drij dagwant lant hiet min, vijf dagwant den rispeleer, hiet min thien dagwant omtrent de wolle sack hiet min". Van de goederen van Joos De Neyer te Bogaarden : eerst vier bunder gehouden van heer van Risoir, vyvervelt een bunder, alover pater block twee dagwant en aIf dagwant en alf eenige roeden, te berge en blucken van am (Ham) twee dagwant alf, ronne meers een dagwant meers : tot hier seven bunders en dagwant en aIf". Van al dat land werd soms weI een klein deel voortverhuurd, maar met de jaren werd er ook bijgehuurd en bijgekocht.

Peeter Walraevens was gehuwd met Anna De Mol, dochter van Peeter, brouwer en schepen te Bogaarden, en Van Maria Neetens. Na de dood van Peeter Walraevens hertrouwde zijn weduwe Anna de Mol met

Adriaan Covens, geb. te Pamel in 1705. Deze werd dan pachter van Ten Heufken en ook schepen van Bogaarden.

Bj-j het overlijden van Anna De Mol schrijft de pastoor van Bogaarden in het register : + 25 Aug. 1758 +Anna de Mol oriunda ex Pepinghen vidua vere christianae et laudabilis vitae, extincta est hydropisi. Sepulta in ecclesia sub monumento familiae Gulielmi Walraevens." De weduwe Anna De Mol was dus een echt christelijke vrouw, zij stierf aan waterzucht en werd begraven in de kerk van Bogaarden onder de zerk van de familie van Gulielmus (zal Gilis moeten zijn) Walraevens. De dochter van Adriaan Covens en Anna De Mol, Theresia Covens, huwde Jan Frans Galmart; deze was niet lang op Ten Heufken : hij ging naar het bof Orinckx (Trop) en van daar naar Ten Bosch.

In het Memorieboek van Ten Heufken schrijft J. F. Galmart : "Den onderschrevenen kenne gerekent te hebben met mijne schoonvader ende moeder Anne De Mol naer ons cranck vermogen voor zijn zesde paert van de goederen ende ja oude rente ende nieuwe renten endc alles het lant pacht e-nde altes volrekent tot den jaere 1700 drij envirtihg. Voldaan beloopt samen jaers sesde paert 24 guldens seventhien stuyvers en alven".

Achteraan in het Memorieboek staat : "Memore van de kinderen van Gilis Walraevens en Cathrina
Duran: Anna Walraevens is geboren den ses en twintighsten Junius 1757, Peeter Josephus Walraevens is geboren den sesten meij 1763, Josefus Walraevens is geboren de 22 november 1766, Catharina Walraevens is geboren den 25 november 1768”.

De zoon van Jan Frans GaImart en Theresia Covens, Adriaan Jozef Galmart, was pachter van Ten Bosch. Op Ten Heufken had opgevolgd : Anna Walraevens (+ 7.2.1830) gehuwd met Adrianus van den Berghe (+3.5.1836). Na hem kwam Van den Berghe, Pieter, Jan, (28.8.1860). Deze kocht van Jaques Théodore

Joseph, Charles, Ghislain Despartz, vicomte du Courtoy, eigenaar te Jandrain, het hof Te Tasseniere op 5.12.1838. Dat hof werd vanaf de XIXe eeuw ook "Keykenshof" genaamd wegens de vele keitjes in de grond van de koer. De koer is nu gekasseid en er is van de keitjes niets meer te merken. Men noemt dit hof ook Ten Heufken omdat het door P.J. Van den Berghe van Ten Heufken werd aangekocht.

Na P.J. Van den Berghe was de pachter van Ten Heufken : J. B. Devalckeneer x Anna Maria Van den Berghe. De pachteres stierf 22.3.1865. Daarna waren op Ten Heufke August Claes x De Vroede en nu, de h. Victor Claes x Alice Devalckeneer.

Hof Te RISSELOO.

Het hof ligt aan de Mollestraat, op Herfelingen. Voor Heikruis heeft het meer belang omdat de familie Galmart het ook in gebruik heeft gehad.

Het hof was een leen van Edingen en bestond als dusdanig, in 1681, uit 4 bunder land en meers, liggende op Risloy, parochie Herfelingen, palende aan de Brunehaultsteenweg.

Van dit leen deden verhef :

1650 : Antoine Philippe, heer van Baudrenghien;

 

1717 : Jonkheer Ed. Fr. Dauxy, die het leen aankocht ;

1743 : Bernard de Nava, zijn kleinzoon;

1749 : Jeanne Louise de Nava.

Dan kwam het bof in het bezit van Weled. Heer van Hoobroeck de la Motte (van het hof Eggerdaal te Bogaarden).

Rond 1840 werd het hof in pacht genomen door de weduwe Adriaan, Jozef Galmart x M.A. Francisca van den Heuvel. Zij had tevens in pacht Groot ten Bosch en als eigenares : Klein ten Bosch.

Tot 1859 was de heer Alexander Carlier-Langhendries uit Halle pachter geweest op Risseloo; nu is het de heer Maes, die het aankocht van de heer Van Hoobroeck.

* * *

Hof Ten BOSCH.

Tot in 1902 behoorde Ten Bosch geestelijk aan de parochie Heikruis. Burgerlijk behoorde het aan dezelfde gemeente, minstens tot in het begin der 19 eeuw. Onder het Frans Bewind beweerde Pepingen rechten te doen gelden op Ben Bosch. De meire Bosteels van Heikruis hield natuurlijk aan zijn belangrijkste belastingbetalers. In een brief van 3 complémentaire, an lX schreef hij aan de Préfet dat Ten Bosch op een kaart van 1602 als behorende tot Heikruis werd opgegeven. Pepingen kon alleen als bewijs aanbrengen een oud “Cartulaire" waarop hoven en landrijen per kouter werden gerangschikt, om de tienden te kunnen ophalen voor de Abdij van Cambron, van Ste Genoveva, van St Jans Hospitaal te Brussel, enz... Daarmee was op verre na niet bewezen dat Ten Bosch bij Pepingen was. De maire en pachter Adriaan Galmart werden dan ook in het gelijk gesteld.

Jan Frans Galmart x Theresia Covens werd rond 1750 pachter van Ten Bosch. Zijn zoon Adriaan Jozef Galmart x Maria Anna Francisca Van den Heuvel (geb. Pamel 30.2.1750) volgde op, rond 1785. Adriaan Jozef stierf 6.4.1837 en zijn echtgenote 8.4.1843. Deze was intussen eigenares geworden van het hof op de hoek van de Mollestraat en de Ziekhuisstraat (nu Van Ongeval). Het werd Klein ten Bosch genoemd omdat het aan de pachteres van Ten Bosch toebehoorde.

Petrus, Jozef Galmart, minor, geb. 28.7.1798 x Maria Anna Paridaens had beide Ten Bosch in gebruik.

Ten tijde van pachter P.J. Galmart x M. A. Paridaens was er in de namiddag op 21 oogst 1852, na een geweldige stortregen welke twee uren duurde, overstroming op Ten Bosch. In de stallen stond het water een meter hoog. Men legde ladders over bundels hooi en klaver en haalde alzo schapen, zwijnen en kalveren uit de stallingen. Enkel een paar zwijnen en enkele lammeren verdronken.

Zijn zoon Joos, geb. 16.8.1825 + 27.2.1880 x 10.8.1864 Catharina Devalckeneer volgde op Groot ten Bosch. Na Joos Baptist Galmart, geb. 1.2.1837, zijn broeder, gehuwd met Paulina Vandermotten, geb. te Zarlardinge op 31.12.1839. Na deze, hun zoon Jozef Galmart x Maria Vanderpoorten. Deze was de laatste Galmart op Groot ten Bosch.

Vóór de Franse Revolutie behoorde Ten Bosch waarschijnlijk aan de Abdij van Cambron in Henegouwen. Daarna was zij bezit van de Burgerlijke Godshuizen van Mons. Over enkele jaren werd Ten Bosch verkocht aan de heer De Vos te Brussel.

Na de H. Jozef Galmart was de heer Emiel Seghers en daarna dezes weduwe en kinderen op Ten Bosch. Nu is er de h. Raymond Peeters.

* * *

Klein ten BOSCH.

Het hof werd rond 1840 aangekocht door de weduwe van Adr. Jozef Galmart x M.A. Van den Heuvel. Na haar dood 8.4.1843 verbleef er haar dochter Anna Maria Christina, en dan Petrus Jozef Galmart, minor x Anna Maria Paridaens, welke beide hoven Ten Bosch gebruikte. Daarna kwamen Theofiel (geb. 1823 + 1893) en Antoinette (geb. 1836 + 1894), kinderen van voorgaande; deze bleven ongehuwd en hakken klein ten Bosch alleen in gebruik.

Hun broeder Joos was op Groot ten Bosch alleen. Na de dood hunner ouders (1880), kwamen de kinderen van Joos op Klein ten Bosch. Een hunner, Victor Galmart x Louise Vander Roost kocht het hof na de dood zijner tanten. Hij bewoont het sinds 1896. Vanaf 1935 is hij er samen met zijn schoonzoon, Octaaf Van Ongeval x Paula Galmart.

Boven de ingangsdeur van het woonhuis van Klein ten Bosch is in de deurlijst gekapt : D. I.1796. In de ankers boven de hofpoort : 1796.

Nergens staat vermeld dat een Galmart Klein ten Bosch zou gebouwd hebben. Met zekerheid kan ook niet gezegd worden wie die D. I. zou mogen zijn. Een kleine aanduiding zet ons wellicht op de weg. Gilis

Walraevens was gehuwd met Catherina Duran. In zijn Memorieboek merkt hij dat hij in 1779 en later nog zaken deed met zijn schoonbroeder P.J. Duran. Later wordt land gehuurd van de weduwe Duran. In 1797 komt een lening voor aangegaan bij Joannes Duran. Zouden het de beginletters van de naam van Joannes Duran niet zijn die boven de huisdeur prijken op Klein ten Bosch ? Toen Oct. Van Ongeval-Galmart het woonhuis herbouwden werd de deurlijst herkapt. Nu staat er volgend opschrift : D. I.1796 - O. V. O. - P. G. 1947.

* * *

ANDERE HOEVEN TE HEIKRUIS.

 Hof PARIDAENS. (nu Hofmans) (Claes)

Tot over honderd jaar was het weI het enig dat in steen was opgebouwd. Alvorens eigendom te zijn der Paridaens, behoorde het aan Weled. Heer Van Hoobroeck te Bogaarden. De ankers in de gevel dateren 1756.

Over enkele jaren vond men er in de muur een pot met zilveren munt, welke men kaar in kwade tijden had weggeborgen.

De moeder van de huidige eigenaar was een Paridaens. Op dit hof waren : J. H. Paridaens, geb. 1776 x Isabella Walraevens, geb. 1774 en Paridaens x Barbara De Schuyffeleer.

Charles-Louis Paridaens, maalder op de stenen molen, was gehuwd met Maria Josepha De Schuyffeleer, zuster van voorgaande.

Lambert Paridaens x M.Ther. Langhendries was op het hof van Sergeantes, Ziekhuisstraat. Hij was zoon van Carolus Paridaens + 10.7.1841 (79 jaar oud). Deze was zoon van Nicolaas Paridaens x Elisabeth
Sergeant.

Op het hof in de Ziekhuisstraat, waar nu Jules Galmart-Sterkx woont, was in 1853 Jean François Paridaens x Leroux Philippine.

In de bosstraat woonde J. B. Paridaens, geb. 1785 x Jos. Willems, geb. 1805, in het jaar1853.

Paridaens zijn nog op Klein ten Heufken.

Sinds meer dan 150 jaar zijn Paridaens en afstammelingen geweest op het Hof te Plutsingen.

Hof Duran op Terlinden

Dit hof is nu ten dele gemoderniseerd. Van het oude hof was er tot 1949 nog een oud duiventil

Een duiventil mocht niet de eerste de beste hebben: men moest een hof van zekere belang hebben. Bij edikt van 1613 werd bepaald dat men ten dien tijde 3 bunder koren moest staan hebben om een duiventil te mogen hebben. Later werden 9 bunder vereist, omdat er misbruiken waren. De duiven werden gehouden voor het afslachten, zij moesten hun voedsel maar vinden op het veld: dus veelal op de velden welke niet van de eigenaar van de duiven behoorden. Om buiten de vastgestelde voorwaarden een duiventil te mogen hebben, was het niet genoeg een "immemoraal" gebruik in te roepen : men had wat te veel geteerd op het graansel van de kleine mensen.

Hof te Nanove ( nu Cochez)

Het behoorde tot voor enkele jaren nog aan Weled, Heer van Hoobroeck. Het ligt niet ver van de "Kluis", die als waarschijnlijk vooruitgeschoven observatie of verdedigingspost moest dienen van het Kasteel van Edingen.

Schansen en overstromingsterrein komen tot aan het hof Te Nanove, zodat het wel mogelijk is dat het hof voor de bevoorrading van "de Kluis", welke volop in het huis de Strihoux gelegen was moest dienen

 

Terug naar menu