HOEVEN
Hof BOUTEBRUGGE, vroeger zetel van Heerlijkheid en voorheen geruime tijd bij Te
Rijst.
(Dit hof is nu (1957) eigendom van de kinderen Galmart.)
Boutebrugge - Bouterbrughe, 1460 - Boutersbrughe, 1468 - Boedebrughe 1487.
Een deel der vroegere landerijen van het Hof Boutebrugge lag op Heikruis, het
hof zelf op Bogaarden.
Sommige benamingen van plaatsen, welke bij het pachthof behoorden, schijnen op
vroegere versterkingen te wijzen. Ten andere in 1221 was Adam van Boutebrugge,
te Heikruis, leenhouder van Engelbert, heer van Edingen. In december 1223
bevestigt dezelfde Engelbert een gift van 7 bunder bos op Heikruis, destijds
gedaan door Adam van Boutebrugge, en die hij in leen had van het hof van Edingen.
Op 25 maart 1224 bevestigt Jan, deken van St Germain en Péronne, te Mons zijnde,
dat een kannunnikes van aldaar (afstammelinge van Adam van Boutebrugge) afstand
doet van al haar rechten op een bos, gelegen op Heikruis, en dat de Abdij van
Ninove wettig had aangeworven.
Boutebrugge kwam door huwelijk van Walter dou Risoit met Isabeaus de Botebrughe
in bezit van de heren van Te Rijst, vóór 1339.
In 1436 verhuurt Sweder van Facuwez, heer van Te Rijst, afstammeling van Thiry
de Facuwez (+ 25.12.1380 en x Giertrut du Risoit, het hof van Abraham Bever.
Maar Sweder was geen voIle eigenaar van Boutebrugge meer, immers in dit jaar
deed Nycholaus van Catthem, aIs leenman van Edingen, verhef voor Boutebrugge. Op
23 Oogst 1442 koopt hij terug van Nycholaus van Catthem het hof van Boutebrugge.
Rond 1470-80 was de zoon van Nycholaus, Jan van Catthem x Elisabeth Zuweels,
dochter van Sweder Zuweels, leenman van Edingen en voIle eigenaar van
Boutebrugge. Zijn dochter was kloosterlinge geworden bij de Cisterciënzernonnen
van Wautier-Braine. Jan schonk aan deze abdij 13 bunder land, gelegen op
Heikruis en Zanten (Saintes) , leengoed der heerlijkheid van Edingen. De 13
april 1486 verkocht hij aan dezelfde Cisterciënzernonnen het Hof Te Boutebrugge.
Nadat Boutebrugge uit de handen van de heren van Te Rijst was, zou hun stamgoed
ook niet lang meer hun eigendom blijven. De opvolger van Sweder van Facuwez,
Jehan de Risoet, heer van Bernissart, verkoopt Te Rijst zelf aan ridder Walter
van der Noot. Jehan had van Te Rijst nog verheven in 1455, Walter van der Noot
doet verhef van Te Rijst in 1466.
Na de afschaffing van de abdij van Wauthier-Braine onder het Frans bewind kwam
het hof onder den hamer. Boutebrugge kwam in handen van de opvolgers van de
heren van Te Rijst, de familie Huysman, en zo later door erfenis aan de 't
Serclaes, de Ghellinck en de Bethune d'Espigneul. Het hof is grotendeels
herbouwd in 1810, volgens het jaartal in blauwe baksteen in de gevel gemetst.
Vroeger was het enkel onderaan in steen, de rest was lemen muren en het dak uit
stro. Na het Frans bewind waren de huurders : J.F. Mariol en daarna Eduard
Horlait, daarna Jozef Galmart (zoon van Petrus, Jozef, minor en Maria-Anna
Paridaens °28.8.1820 +9.5.1891) x Maria Anna Abbeloos. Pachter Jozef Galmart
woonde eerst op het hof Abbeloos (Plaats) te Gooik, waar nu het klooster is der
Apostollinnen van Gent. Na hem was het Albert Galmart x Céline Dedobbeleer. Zijn
zonen Nestor, Gaston en Albert zijn sinds 1946 eigenaars der hoeve en van het
onmiddellijk omliggende land.
Een uitvoerige geschiedenis van Boutebrugge is verschenen van de hand van P.
Lindemans in "Eigen Schoon" 1935, blz. 149 en vIg.
Pachters van BOUTEBRUGGE en hun kinderen, vermeld in de oude parochieregisters
van Bogaarden.
Uit andere bronnen waren bekend:
Abraham van Bever x Marien van den Bossche (Pachtbrief van 1436)
Pietre Ots, zoon van Claes Ots (Herfelingen) x Maria Hellins (1562) Jacques
Lambert, tot 1607.
Cornelis Amelrijcx 16O7.
Nicolaas Amelrycx x Marie Faseau tot 1663.
"25 roeden meirsch achtergelaeten int iaer 1666 door Niclaes Amelryckx aende
kerke van Bogaerden met den last van een iaergetijde voor syn siele gelegen
inden crommenmeirsch tegen de goederen van den huysarme en van Edinghen den
pastoor treckt eenen gulden den koster thien stuyvers - soo dat de kercke maer
en treck dat het meer wort verhuert aIs het iaergetyde bedraeght."
Nicolaus Huyghe (1672) + 1690 x Kathelyne vander Meeren, die met Corneel Seghers
(1691) hertrouwt. Hun kinderen waren : Anna Maria geb. 15.8.1696 ; Cornelius
geb. 28.12.1700; Anna Catharina geb. 7.4.1703.
Tot 1720 wordt het overlijden van Cornelius Seghers niet vermeld; nochtans heeft
hij in 1719 een opvo1ger als pachter, namelijk :
Jacobus Stevens, uit St Renelde (zoals vermeld in een doopakte te Heikruis
3.10.1738). Hij was zoon van Cornelius en was gehuwd met Francisca Engelbeen.
Hun kinderen waren :
Jacoba, geb. 6.9.1725 ; Maria Agnes, geb. 5.5.1723; Johanna, Jozef, geb.
6.9.1725; Joanna Francisca, geb. 13.2.1728.
Klein Boutebrugge.
Op de overkant van de straat bij Boutebrugge, ligt Klein Boutebruggen dat 38
bunder bewerkte (bij Groot Boutebrugge waren het 62).
Het was een kleine grondheerlijkheid, met cijnshoek, leenroerig onder het hof
(leenhof) van Bogaarden. Vroeger waren Groot en Klein Boutebrugge wellicht één
hof. Het groot Hof te Boutebrugge was een voIle leen van de heerlijkheid van
Bogaarden. In 1752 werd Klein Boutebrugge met zijn heerlijke rechten verkocht
door Charles Jos. baron de Rahier de Thou, diens broeder Ferd. Jos. baron de
Bodeux, enz... aan Barbara Langendries, weduwe van Jan Antoon de Nayre, griffier
van Kestergewoud. Na 1880 was op het hof : Jeroom Plaisant (geb. 1813 / +1888).
Daarna Jean Devalcheneer (geb. 15.11.1831 + 30.12.1911) x Celinie Galmart (geb.
Herfelingen 28.5.1837 + Bogaarden 16.1.1908). Devalcheneer Galmart was eerst
geweest op het hof Galmart, Lienenweg, Bosstraat (nu Detrez). Daarna was er zijn
zoon Josse Devalcheneer x Joséphine Delcrois en dan tot nu toe de kinderen van
deze echtelingen.
* * *
Hof TERES.
Het huidige pachthof van het kasteel van Te Rijst is een wederopbouw van over
een honderdtal jaren geleden. Van het vorige blijven nog enige stukken van
grondvesten in de boomgaard uitsteken. Een nog ouder pachthof werd door Walter
van der Noot tussen 1464 en 1482 heropgebouwd, ofwel deed het zijn opvolger
Karel van der Noot. Jehan de Silly de Rysoet verkocht zijn leengoed aan Walter
op 30 Maart 1464; Walter doet verhef in 1466 en op 15 juli 1482 kreeg Walter
verhoging van rechtsmacht vanwege Prins Pierre II de Luxembourg, graaf van St
Pol enz..., heer van Edingen, omdat hij een nieuw kasteel had gebouwd, dat er nu
nog, alhoewel veranderd, nog immer staat, en omdat hij gans het goed terug in
orde had gebracht.
De eerste "pachter van der Reyst" in de parochieregisters vermeld was Franciscus
Clement + 23.9.1639. Nu nog is een Clement pachter van de "Ferme d'Annecroix" op
Bierk, eigendom der kasteelheren van Heikruis. Verder komt nog voor : Jan
Clement + 13.8.1667. Waarschijnlijk hebben de Clement’s flink het oog gehouden
op het domein toen de van der Noot's wegens hun aanhankelijkheid bij Willem van
Oranje en hun overgang tot het Calvinisme naar Holland waren gevlucht. Het goed
werd aangeslagen, in erfpacht gegeven en tussendoor werd verhef gedaan door de
familie van der Noot. De meester is gedurende geruime tijd op het kasteel niet
geweest, en dan moest op de trouwe pachters gerekend worden.
Messire Jean Herman VöIler wisselde het goed, dat hij in de omgeving van
Nijmeghen bezat, uit tegen het domein van Te Rijst. De nieuwe kasteelheer was
rooms-katholiek. Hij deed verhef door zijn hoge leenheer van Edingen de
31.7.1690.
De 20.7.1695 staat Heer VöIler als dooppeter vermeld van Barbara De Vries,
waarschijnlijk dochter van zijn pachter.
Henricus Seghers (+ 3.1713) was pachter van Te Rijst, immers zijn dochter Maria
Adriana Seghers staat als meter en filia Henrici ex villa du Risoir vermeld, op
12.7.1723. Op Boutebrugge is Corneel Sehers pachter van 1691 tot 1719. De
Seghers behoorden dus tot een aanzienlijke pachterfamilie. De weduwe van
Henricus Seghers, Catharina de Ro (uit Herne), bleef pachteres totdat zij
overleed op 3.9.1719. Rond die tijd heeft ook Corneel Seghers Boutebrugge
verlaten.
De dochter van H. Seghers-De Ro, Catharina Seghers trouwt op 7.9.1719 met
Andreas van de Perre (vermeld 13.3.1721 als ex Beringen, parochia de Pepinghen
en in een doopakte van 1723 : ex Kestergat). Hij was zoon van Petrus en Joanna
Herremans uit Pepingen. Bij de doop van zijn tweelingdochters in februari 1723
is hij vermeld als "villicus du Risoir".
Zijn zoon Leonard, Jozef werd gedoopt op 1.4.1765.
Kapelaan Hendrik van de Perre (kapelaan van Te Rijst 1726-1765) broeder van
Andreas van de Perre, was peter in plaats van Leonardus Jozef Fr. Henne de
Kempis, heer van Risoir. Dat de kasteelheer peter was toont aan volgens de
gebruiken van Te Rijst, dat Leonard van de Perre zoon was van de pachter van Te
Rijst. Tot dusver is er geen verband gevonden tussen de van de Perre’s van
Noordwest Brabant en die van het Zuiden. In de XVIIIe eeuw waren er in Merchtem
en ook in Elingen.
In 1721 was Frans Cosijn x Johanna Paduwar schaapherder op Terrest. Op de
kasteelhoeven van het domein werden veel schapen gehouden. Eén der stallen van
St Annahoeve was schaapstal; men kan het nu nog merken omdat de vloer plat is :
in de koestallen helt de vloer immer af. Op Boutebrugge en Te Bosch hield men
ook veel schapen.
Na de Van de Perre’s kwam waarschijnlijk Corneel Duran uit Heikruis x Maria
Catherina Spinet uit Lettelingen (Laurent Spinet was in 1765 pachter op
Boutebrugge).
Na 1800 waren opvolgend pachter van het Hof Terest :
Hilarion Dechèvre x Josepha, de Marbaix (+ 17.10.1870) en na hem zijne weduwe;
dan:
Victor Dechèvre - Carlier, burgemeester ; na hem:
Pierre Vandenabeele - Walravens, tevens pachter van St Annahof (1891-1900).
Eugeen Delattre - Vander Roost, van Kokejane - Herne;
Edouard Horlait, zoon van pachter van Boutebrugge; hij vertrok naar Asse. Dan
kwam :
Petrus Niels, gehuwd met Ursula Lodewijck, uit Passendale. Tot aan haar dood in
1947 dreef zij de zaak op met haar drie kinderen. Nu is Omer Niels pachter.
De huidige hoeve werd gebouwd rond 1860 : zij gelijkt fel op de St Annahoeve.
Alleen de buitenvensters met spitsbogen in fantasiegotiek, verschillen van die
van St Annahoeve, welke een couranten vorm hebben.
ST ANNAHOEVE.
Zij is de tweede van de hoeven van het kasteel van Te Rijst, en ligt er eveneens
niet ver af. Aan de keldertrap ligt een steen met de naam Anna de Kempis (+
24.11.1771 x Sebastian Antoon Huysman), misschien komt de steen voort van de
hoeve welke vroeger op hetzelfde erf stond. Die oude hoeve welke de naam van
Anna de Kempis bewaarde zal dan ook haar naam aIs St Annahoeve aan de
nieuwgebouwde gegeven hebben.
Aan het karrenkot der huidige hoeve zijn basissen van Dorische kollommen
gebruikt. Zij komen van de oude kerk die in 1868 werd afgebroken.
Op de Tienbunder stonden daar vroeger twee pachthoven. De grootste waarop Gheys
pachter was, lag op de Bosstraat, wat meer naar de kom der gemeente toe dan de
huidige St Annahoeve, op de weide, waar nu nog de bornput van het hof is
overgebleven.
De familie Ghijs (eIders Gheyst en Geys) moet vanaf het einde der 17e eeuw reeds
op het hof geweest zijn. De 29 maart 1706 werd gedoopt : Maria Theresia Geyst,
filia et Josinae Kersavent scribere nesciens. De peter was Antoon Gallemaers,
sergeant der heerlijkheid, in plaats van de heer Marsil (Jean, Joseph Marsille),
procureur van de heer Jean Pierre de Kempis, bail en avoué van vrouwe Jeanne
Vendeline Marie-Thérèse de VöIler, echtgenote van heer de Kempis en vrouwe van
Risoir. Meter was Maria Grosse ex Walebrabantia (uit Beert) + 14.8.1727 en
echtgenote van Ant. Gallemaers, voor vrouwe Maria Theresia VöIler.
De Gheys moeten welhebbende boeren geweest zijn : Andreas Gheys huwt met
Catharina van de Perre, dochter van Andreas en Cath. Seghers.
De 3.8.1815 werd geboren Joanna Maria Geys, dochter van Henricus uit Herfelingen
en van Anna Katharina de Mil uit Heikruis. Hebben de de Mil's het eerste hof of
het tweede pachthof bewerkt ? Of soms de twee te samen ?
In 1723 werd geboren Theresia de Mil, filia.. ex Kester et Cath. D’Hollander, ex
Moes in Wasia. Meter : nog eens Maria Odila Grosse loca Dnae Theresia VöIler
Dom. de Risoir. De 27.5.1797 werd gedoopt Catharina Theresia de Mil dochter van
Franciscus Jozef Bennoni de Mil en van Anna Catharina de Mil.
Leonardus Franciscus Josephus Benno de Mil was zoon van Jan en van Barbara
Weverbergh. Zijn peter was sergeant der heerlijkheid Ant. Gallemaers in naam van
heer L.F.J.B. de Kempis. Jan de Mil, de vader zal dus weI een pachter van het
kasteel geweest zijn. Jan de Mil is misschien pachter geweest op Te Rijst tussen
Andreas van de Perre en Corneel Duran. Twijfel is er nochtans, want de pastoor
schrijft in dat geval bij de naam van de vader : "villicus de Risoir".
Van het echtpaar F.J.B. de Mil en Catharina de Mil zijn verscheidene kinderen
vermeld; het laatste was Marin Rosalina geboren op 3.3.l8l0. Van Petrus Joseph
de Mil, geb. 21.2.1804 en + 7.2.1877 was meter Catharina Josepha Marsille. Dit
wijst op betrekkingen met het kasteel; reeds werd er hoger op gewezen. (De
familie Marsille was afkomstig uit Lessen).
Moeilijk is het uit te wijzen op welk der twee hoeven de de Mil's of Gheys
waren, te meer uit oorzaak van de verwantschap tussen de twee families. De
moeder van J.B. Paridaens, mulder op de stenen molen, was Maria Theresia Gheys,
hierboven vermeld. M.Th. Gheys schijnt voor muldersvnouw bestemd te zijn, haar
meter was Cath. Th. Lepers, maalderes op de molen van Bellingen.
In 185l staat vermeld het overlijden op 28 september van Anna Catharina de Mil,
weduwe van Hendrik Gheys, op 8O-jarigen ouderdom. Het schijnt dat de Gheys ten
onder zijn gegaan. Rond 1880 woonde nog Gheys op de Heikruiskouter aan de
Kapelleweg in een lemen huisje, aan de overkant van het huidig hof Langhendries.
Het was een sukkelaar, bij wie de ondeugende schooljongens van die tijd hun
fratsen gingen uithalen.
Rond 180O was Gabriël Walraevens uit Braine x Josepha Bablet (eIders Beublet en
ook Bablie) uit Lettelingen pachter van St Annahoeve. Daarna was het zijn zoon,
die jongeman bleef. Hij overleed op 2 december 1861 in de ouderdom van 87 jaar.
Rond 1868 werden de twee hoeven bij St Annahoeve afgebroken. Pachter was toen
Jean Charles
Walraevens x Marie Laserre. Hij woonde eerst op een der twee oude hoeven,
dewelke stond op de plaats achter het huidig karrekot, waar de groenseltuin is.
Gedurende de bouw deed pachter Walraevens al de corvees van vervoer, maar pas
had hij het nieuwe hof betrokken of er kwam betwisting met de heer over de
gedane corvees en zijn pacht werd opgezegd. Bij de pachter woonde in zijn zuster
Catherine x 1° Guillaume Ferdinand Eenens x 2° Phil. Jos. Nerinckx.
Voor de tijd van twee pachttermijnen, 18 jaar, was pachter van St Annahoeve de
heer Paternotte uit 's Gravenbrakel. Na hem kwam als opvolger van de familie
Walraevens de heer Pierre Vandenabeele x
Walraevens. Gedurende negen jaren, van 1899 tot 1908, had hij tevens het hof van
Terest. ln zijn dienst was voor het St Annahoeve de weduwe Vanderstokken met
hare zeven kinderen; haar oudste dochter was 17, haar oudste zoon 15, noeste
werkers die hun taak ter harte namen en nog immer door de Vandenabeele's geacht
worden. Zoon en dochter van de h. P. Vandenabeele, Jozef en Sidonie zijn nu nog
op het hof.
Heerlijkheidsmolens van TE RIJST.
Bij de verhoging van de rechtsmacht der vander Noot's door Pierre II de
Luxembourg, heer van Edingen, is er spraak van molens. Misschien was er buiten
de houten molen van Terlinden een watermolen op de Haerebeek.
In de Molenstraat, nabij de Vier Armen stond vroeger een windmolen, die aan het
Kasteel toebehoorde.
Het dodenregister van Heikruis vermeldt: in mei 1602 het overlijden van Adriaan
van Buercht, mulder van Te Rijst.
Gedurende de slag van Steenkerque op 3 oogst 1692 (tussen de Maarschalk van
Luxemburg voor Louis XIV van Frankrijk, en de Prins van 0ranje met Willem III
van Engeland), had een Frans Kapitein der Karabi- niers een observatiepost op de
houten molen. In 1719 is J.B. Orins x Adriane Daminet, zoon van de maalder van
Tollembeek, vermeld als maalder van "Risoir". Het betreft hier een zoon van de
maalder van de “Oude Molen", rond 1629 opgericht te St Pieters Kapelle (grens
Tollembeek), door Adriaen van der Swaelmen, mulder te Geraardsbergen. De andere
molens van Tollembeek zijn maar na 1721 opgericht. De oudste molens aldaar waren
watermolens : Wielant 1474 en Heetvelde 1575; sommige waren reeds verdwenen
zoals Schiebeek 1259 en Mottinge 1474.
De 6.2.1731 wordt J.B. Orins, aIs Peter, genoemd "moliter in mola du Risoir".
Hij was gehuwd met Anna Agneesens uit Heikruis, zij staat vermeld als meter met
titel : "uxor molitoris in Risoir". Oudere van dagen weten nog dat een Jozef
Orins mulder was op Te Rijst. Hij gaf het op om in Pepingen-Trop te gaan wonen.
Na hem kwamen de maalders Van der Houdelinghen en Van Lieferingen en na deze
Jozef Geeroms, gehuwd met de zuster van de toenmalige veldwachter Bosmans.
Tot in 1860 was er voor de pachters van de heren van Te Rijst verplichtingen om
hun tarwe, koren, haver en zwijnaard op de molen van Te Rijst te laten malen.
(Pachtbrief o.a. van Jerôme Plaisant).
Rond 1890 kocht Geeroms de molen af van Burggraaf Jolly. De houten molen werd
afgebroken en men maalde van dan af met "moteur".
Op Geeroms volgde Cornet, bijgenaamd "Pater". Zijn echtgenote was een dochter
van de maalder Van den Schrieck van de Caronjemolen te Herfelingen.
Sinds 1930 is de molen eigendom van Nestor Simons. Hij vergrootte en verbeterde
huis en molen.
De leenheer van Edingen, vóór de Franse Omwenteling, had recht op het derde van
de winst van de molen van Te Rijst, zonder verplichting te moeten tussenkomen in
de kosten van eventuele herstellingen.
Particuliere Molen. DESCAMPSMOLEN-KAMSM0LEN.
In 1785 bouwde J.B. Paridaens-Descamps aan de hoek der baan Heikruis-Hondzocht
en de Molenstraat naar Bogaarden een stenen molen en een molenaarshuis:
Kamsmolen en Kamshof genaamd. Kams is een vervorming der naam der muldersvrouw
Descamps. De molenaar Charles-Louis Paridaens (ook Pardaens) geb. 8.9.1794,
maakte er in 1852 een olieslagerij. Stukken en brokken van het getuig liggen nog
in en aan de molen. De Paridaens zijn een oude familie van Heikruis en
Bogaarden; de Descamps waren afkomstig uit Halle. In 1890 werd de molen vier
meter hoger opgemetst. Molen en molenhuis bleven eigendom der familie Paridaens
totdat de molen op 30 april 1931, door de juffrouwen Elodie en Colette Paridaens
verkocht werd aan maalder René Depauw uit Esschene (Brabant). De molen geraakte
zijn wieken kwijt; onder de oorlog van 1940-45 werd de kap doorgeschoten en
later woei ze af. Eerst werkte maalder Depauw met een armgasmotor, maar toen er
moeilijk aan kolen te geraken was, gebruikte hij een elektrische motor. Aan de
molen werd een huis gebouwd. Natuurlijk is de molen lang niet zo mooi meer
zonder kap en wieken, alhoewel hij in het landschap anders zeer schoon zou
passen.
Het Kamshof werd verkocht aan de gebroeders Galmart van Boutebrugge.
De maalders Paridaens waren na het Concordaat van 1802 anticoncordatist, of
zoals men gewoonlijk zegt, Stevenist geworden. In het doopregister van Heikruis
schreef onderpastoor Bruwier na een akte van 10.4.1817, in het Latijn een nota,
waarvan de vertaling luidt:
Sommige parochianen hebben de katholieke kerk verlaten voor een secte welke wij
die der Stevenisten noemen. Enkele priesters zonder de eenheid der kerk in acht
te nemen, hebben die mensen hiertoe gebracht. Vier der kinderen Paridaens werden
door Pastoor 'Winnepenninckx uit Leerbeek gedoopt, zonder ceremoniën, maar deze
werden er achteraf door hem bijgedaan, er werden hun dan ook peters en meters
gegeven. Voor al deze kinderen te samen werden op 20.10.1815 de ceremoniën door
pastoor Winnepenninckx bijgevoegd.
Hij ook ondertekende de getuigschriften welke zonder meer in het parochiaal
doopregister door E. H. Bruwier werden overgeschreven, toen de familie tot de
katholieke eenheid terugkeerde. Ook de Borremans kwamen over. Vóór het
concordaat zijn nog volgende kinderen vermeld in het doopregister : Carolus,
Ludovicus, geb. 8.9.1794 en Catharian, zijne tweelingzuster. Maria Anna, geb.
12.4.1796 + 21.1.1866.
De eerste maalder J. B. Paridaens was geboren 5.5.1768 was zoon van Carolus uit
Bogaarden en van Maria Theresia Ghijs uit Heikruis.
Vrij HOF TE ROETAERT, wellicht zetel van heerlijkheid. Later: MEIERSHOF.
In de “Grafschriften in het Land van Edingen” uitgegeven in Annales du Cercle
Archéologique d'Enghien wordt Heikruis vermeld met een hof Te Roetaert. In de
Renteboeken der Kerk van Heikruis is er spraak over het Hof en zijn bewoners. De
boomgaard van Meiershof (nu Horlait-Lievens) draagt op het kadaster de naam van
Hof Te Roetaert (Sectie B nr 386). Het Atlas der Wegen (Plan 3, nrs 109 , & 110)
vermeldt dezelfde benaming voor een hoek van de Neerstraat (Heerstraat) en
hofgat van Meiershof.
Volgens Hs. nr 1512 van het Fonds Goethals in de Kon. Bibl. te Brussel, was er
in de Kerk van Heikruis een schilderij met volgend opschrift :
Mothingen wettich wijf
was van Lodewijc de
Coulsrere (beter Cousnere) die stierf
in haerlieder hof ten
Roetaert int jaer ons
heren XVc ende X den XI dach ter maent van
Meerte.
Bidt voor haer siel.
Bij het opschrift waren er volgende wapenschilden :
1) gedeeld :
A. van zilver met drie rozen van keel, met goud geknopt.
B. gekwartileerd : 1 en 4 van azuur met zeven halve manen van zilver en boordsel
bedekt met hetzelfde. 8 en 3 van zilver met baar van keel. Helmstuk : Hoofd en
hals van een paard, van zilver met gouden manen.
2) gedeeld :
A. de wapens als hierboven en
B. van zilver met zeven ruiten geplaatst in band (hetzelfde wapen als van Ophem,
destijds heer van Tasseniere. De van Ophems waren verwant met de van Heetvelde,
Van Etten en Halmale van Tollembeek.)
Rechem: van zilver met koper van sabel en boordsel gebekt van het zelfde.
Kereghem: van sabel met drie zilveren welpen.
0lgsterzele (Oosterzele ?) : van sinopel met faas van keel beladen met drie
rozen van zilver.
In het renteboek der Kerk van Heikruis, 1638, is een stichting van jaargetijde
voor deze echtgenote vermeld:
" van Franchoys Pollart comende van Lodewijcke de Causenere en Je Elisabeth van
Mottinghe voor haerlieden jaergetijde en twee bunder lant op den Verniecauter...
twe stack kersen om te bernen.alsoo langhe als den dienst duren sal twelft
spinden om thofferen ende sesse kerssen elcken virendèel wash te weten een op
het H. Sacramentsdach op 't h. pasdach, half Oost een op het H. Kersdach
lichtmisdach ende een op Alderheilighendach alsoo langhe als de hoochmisse duren
sal aan den prochiaen IIII st. aen den coster II st."
Jan de Causenere, zoon van Josse, doet verhef 4.2.1597.
In 1609 straat in het doopboek opgegeven als meter van Michaël Mot : Francisca
de Causenere.
Jan de Causenere, zoon van Jan, hoger vermeld, deed verhef 14.12.1652, bij
tussenkomst van Tomboy, gevolmachtigde van zijn vader.
17.2.1658 doet Michel Clement verhef door afkoop bij Jean de Causenelre, van 5
dagwand labeurland en Hoogbundelingghekouter.
9.6.1639 doet Maria de Causener, weduwe van Jean Petit verhef van 3 bunder
labeurland op het Sijp, door aankoop bij Pierre Ruysschaert.
1.4.1654 doet Jan Petit, priester, zoon van voorgaande, verhef.
In 1658 koopt Michel Clement de Roetaert.
In 1673 is het hof aan Marie Clément, en door erfenis gaat het naar Jean Baccard
x Marie Clément.
In 1668 aan Jean Baccard, zoon van voorgaande, en daarna in 1716 aan Adrien
Paridaens. In 1706 ligt het hof in puin, zoals blijkt uit de kerkrekeningen, men
noemt het immers "ci-devant manoir". De verwoesting is waarschijnlijk aan oorlog
te wijten, want vóór 1706-07 krijgen nog andere kwijtschelding van rente.
In 1745 aan Charles Paridaens, zoon van voorgaande, en daarna aan J. Paridaens,
zoon van voorgaande, en daarna aan J. Plaisant.
Het woonhuis, de "manoir" van Te Roetaert lag aan de Neerstraat, links van het
hofgat van Meiershof. Men vind er nog puin en grondvesten o.a. groene
schilferachtige zandsteen “arkose van Tubeke”. Op de boomgaard er nevens werd
lang groene zavel gestoken, wellicht vroeger ook steen gespoeld. Het woonhuis
van te Roetaert lag veel hoger dan dat van het Meiershof. De h. J. B. Paduwat,
wiens familie reeds lang op de Eeckhoudt woont, weet van zijn grootvader dat men
vroeger van den Eeckhoudt een kasteel kon zien, bezijden de kerk, boven op de
heuvel. Dat was zeker de "manoir" van Roetaert.
De hofmuur is nog grotendeels die van te Roetaert. Jozef Plaisant x Judith
Flasschoen, beiden uit Hoves, waren naar Heikruis komen wonen. Zij kochten het
erf van Te Roetaert en in 1789 bouwden zij het Meiershof. Joz. Plaisant was
reeds in 1735 meier van Heikruis.
A. Jozef Plaisant x Judith Flasschoen hadden volgende kinderen : 1) Barbara,
geb. 14.3.1724; 2) Adriaan, geb. 17.3.1729; 3) Petrns, Jozef, geb. 1742 +
4.11.1818.
B. Petrus Jozef Plaisant x Maria Anna Vetsuypens was meter vóór het Frans
Bewind, hij nam ontslag, maar was terug maire in 1808 tot 1818. Zijne weduwe
bestuurde het hof tot in 1840.
Zijn zoon : Petrus, Johannes geb. 1783 x 6.21.1805 Anna Fauconnier geb. 1780,
was maire van 1818 tot 1823. Zij hadden volgende kinderen: 1) Jan Baptist,
Martial, geb. 19.7.1806; hij was burgemeester tot aan zijn dood (+ 30. 8. 1877.)
Hij woonde op het hof en liet er een verdiep op bouwen. Er moest ook een
torentje op met een klokske : de burgemeester ging nog al eens zijn land
bekijken, altijd per blauwe kiel en met een zwart bolhoedje op zijn hoofd.
Waartoe moest het klokje dienen ? De meid was oud geworden, en bij een
burgemeester komt nog al eens bezoek; de meid zou voortaan het veld niet meer
moeten aflopen om de baas naar huis te roepen ... Maar de mens wikt en God
beschikt: eer het torentje met zijn klokje er waren, Was de burgemeester bij den
Here. Het bolhoedje van Martial Plaisant was beroemd geraakt in de gemeente, men
maakte er een liedje op :
"Zwarte van Meiers kocht hem 'nen hoed
in 't beginsel van zijn leven.
Hij droeg hem zestig jaren lang
en heeft hem dan nog weggegeven."
Martial Plaisant was jongeman gebleven, wel gewenkt en zuinig geleefd, goed
gespaard : zijn neven en nichten zijn er wel bij gevaren.
Op Martial volgde nog :
2) Maria Anna Jozefina geb. 20.l.18OB + 18.11.1840.
3) Petrus Jozef Longinus Desideer, geb. 6.9.1808 + 8.9.1833, was diaken in het
Aartsbisschoppelijk Groot Seminarie te Mechelen.
4) Maria Ludovica geb. 17.3.1811.
5) Jeroom geb. 25.10.1813 + 1888 x Seraphine Mariol, was pachter op Klein
Boutebrugge. Zijn zoon Pierre Plaisant woonde op het hof.
6) Marcellinus, geb. 16.l.1816 x had begonnen met een hof te bouwen aan de
Neerstraat, waar de vroegere Brusselweg, uitgaande van aan de oude kerk, uitkwam
nevens het huis, nu bewoond door de gepensioneerde postbode J. B. Vanbellinghen.
Een stuk van het huis was, gebouwd, ook stal en schuur, toen het hof Leheuwe, nu
bewoond door Mevr. Nuttinck-Dechévre vrijkwam, omdat de eigenaar naar 's
Gravenbrakel vertrok. Marcellinus Plaisant kocht het hof en maakte huizen van
zijn begonnen bouw. De zoon van
Marcellin, Léon PlaiRant volgde hem daar op en verkocht bof en boomgaard aan de
huidige bewoners (Dechevre).
Buiten de vermelde kinderen van P. J. Plaisant waren er nog :
7) Maria Desideria, geb. 26.1.1819 en
8) Gommaar, geb. 2.6.1820.
Pierre Jozef Plaisant die het Meiershof bewoonde had geen kinderen en liet het
hof aan Josse Plaisant; deze was er gedurende een tijdje op als jongeman, huwde
dan met Sidonie Duran, maar verliet het hof om eerst te gaan wonen op de hoek
der Plaats en Molenstraat. Dan bouwde hij een huis (nu Alf. Detrez, smid).
Gedurende een zekere tijd was Léon Duran, schoonbroeder Van Josse Plaisant op
Meiershof. Op de boomgaard, aan de Neerstraat, liet hij, zoals Pieter Jozef
Plaisant, zavel steken aan 2 Fr de bakkar. De groene zavel was van de laag
waaruit de steen “arkose van Tubeke” gespoeld werd. Deze steen is in kleine
hoeveelheden gebruikt geweest aan het hof Te Roetaert, Tasseniere en Klein Hof
Ten Bosch. Ook enkele grote plaveien der oude kerk kwamen van daar.
Na de plotselinge dood van Pierre Jozef Plaisant kwam zijn broeder Josse, ook
zoon van Jeroeme terug op Meiershof, daarna was het zijn dochter Maria Plaisant
x Dieudonné Horlait. Eindelijk is er de huidige bewoner, hun zoon, gekomen:
Urbain Horlait-Lievens, landbouwer en veekoopman.
HOF TE TASSENIERE, vroeger Cijnshof.
In de stichtingsakte van O.L.V. Kapelanie van Te Rijst ten jare 1326 is er
spraak van Irnous de Tasniert. Leenman van te Tasseniere was in 1506 Jan
Bernaige, heer van Percques of Parcque, en na hem Inglebert Bernaige, heer van
Kraainem.
Antonius van Ophem wordt, bij verhef van een klein leengoed, op 20 juli 1584,
gezegd schildknaap en heer van Tasseniere. Er werd door Antoon van Ophem een
stuk land, drie bunder, van Tasseniere, verkocht aan Jacques Pletinckx,
ontvanger van Vloesberg en Lessen.
In 1670 moest Jacques de Langerode, schildknaap, Tasseniere verkopen aan
Philippe Charles Massiet, schildknaap. Hij had een rente van 128 pond tournois
(het pond tournois gold dan 1.82 goudfranks) niet kunnen betalen. De rente stand
er sinds 23.12.1665.
Dan komt Marie Th. Dansart, weduwe van Ph. Charles Massiet.
Daarna gaat het goed terug aan de echtgenote van J. de Langerode, vrouwe van
Fontaine. Zij gaf
Tasseniere aan haar schoonzoon Felix de Tabaoda op 16.8.1710.
De 23.9.1713 werd het goed te koop gesteld, omdat sinds twee jaren de rente van
1665 niet betaald was. Tasseniere werd eigendom van Philippe de Blaines,
schildknaap.
De 28.5.1714 ging Tasseniere over aan vrouwe Jeanne Marie Husmans, douairière
van J. B. Spruyt, heer van Puttenherg, -Waver, enz.
Volgde haar zoon Charles Eugène Spruyt en verder jonkheer Emmanuel Charles de
Partz, burggraaf van Kortrijk, heer van Puttenberg, neef van Dh. Eug. Spruyt.
Einde.lijk kwam het aan jonkheer Hyacinth Emmanuel Marie de Partz (11 jaren
oud), met als voogdes, zijn moeder Marie Antoinette Ursule de Partz.
Op 5.12.1838 verkocht Jacques Theodoor Joseph Charles Ghislain de Partz,
burggraaf van Kortrijk, wonende op het Kasteel van Jondrain het hof aan Pieter
Vandenberghe, landbouwer op het Hof Ten Neufken (Bogaarden). Deze koop betrof de
hofstede met woning, stallingen, schuren en afhankelijkheden, tuin, weide, meers
en landerijen, alles samen 2 ha 88 a.
Pieter Jan Vandenberghe stierf te Heikruis op 28.8.1860. De erfgenamen waren Van
den Berghe Catherina, Josephina, pachteres te Heikruis; zij had alleen
vruchtgebruik. Maria Anna Van den Berghe, geb. Bogaarden 29.6.1795 x J. B. De
Valckeneer, geb. Heikruis 10.1.1788 + 5.10.1875, schepen en pachter te Heikruis
en Petrus Jozef Van den Berghe, pachter van Ten Neufken hadden naakten eigendom,
door elk voor de helft. Catherina Josephina verzaakte aan het vruchtgehruik de
15.10.1865; zij stierf de 15.12.1865 : de twee andere werden alzo volle
eigenaars.
Pierre Jozef Van den Berghe x Sophie Verheyden stierf 1.4.1879. Zijn vrouw erfde
voor de helft. Door erfenis gaat de 21.3.1883 de Tasseniershoeve (“Nieuw Ten
Neufke” genaamd, omdat zij destijds door de pachters Van den Berghe van Ten
Heufken was aangekocht) aan de minderjarige kinderen van Joos Galmart +
27.2.1880 x Catharina Devalcheneer + 17.1.1878, in leven pachter was van Ten
Bosch. Deze minderjarige kinderen waren : 1) Jan-Baptist (werd priester) ; 2)
Victor, August Emmanuel; 3) Marie, Leontine; 4)Jozef; 5) Jozef Theodoor.
Sinds 18 september 1942 behoort het Hof Te Tasseniere (van Tasnière =
dassenhol), met meestal de landerijen welke er van ouds bijwaren, aan de weduwe
van Thedoor GaImart-Van Lathem en kinderen.
Theodoor was de jongste van Joos.
Op de weide, vóór het hof Te Tasseniere, palende aan de Molenstraat, ziet men
duidelijk dat er puinen onder liggen.
Gedurende de oorlog 1914-18 werden daar kelderingen blootgelegd. De stal van het
huidig hof draagt in de ankers het jaartal 1755, de oude koestal 1737. Het
overblijvende deel van het vroegere woonhuis draagt ook in de ankers 1737. Aan
de schuur zijn stukken grijsgroene zandsteen van Tubeke, van de afbraak van oud
Tasseniere gebruikt.
De Langerode's en Tabaoda's (1665-1713) schijnen er maar schrap voorgezeten te
hebben. Het hof was waarschijnlijk vervallen en herbouw was nodig geworden. De
familie Spruyt was rijk en zal Tasseniere na de aankoop in 1714, weldra voor
herstel in aanmerking genomen hebben.
* * *
In vroegere tijden vestigden de inwoners zich bij voorkeur bij bronnen en
waterlopen en op moerassige gronden. Water was nodig voor mensen en dieren en
als de woonst op een mote met wal omringd, met moerassige grond in de omgeving,
gelegen was, dan kon men ze gemakkelijk verdedigen.
Zo was het voor het Hof te Plutsingen. De oude mansie van Te Rijst was aan de
Haerbeek, het eerste eigenlijk kasteel eveneens en ook was de Schapenvijver
erlangs. De Mortaignebeek en meerdere vijvers waren bij Boutebrugge. Ten Bosch
lag eveneens aan de Mortaignebeek en vijvers. Bij Te Roetaert waren twee bronnen
van de Rassaertbeek : achter de schuur van Tasseniere is een bron die in een
beek uitloopt, naar Pepingen toe.
Hof Te PLUTSINGEN
Het Hof Te PLUTSINGEN schijnt een vrij hof geweest te zijn. Er is geen spoor van
verhef bij het leenhof van Edingen. Boutebrugge verhief van Edingen, de Roetaert
voor enkele stukken. Tasseniere behoorde aan de heer van Waver-Puttenberg, die
zelf van Edingen verhief. De eigenaar van een cijnshof had aan zijn leenheer
maar een cijns te betalen, maar voor de rest was hij vrij van lasten en corvees.
Boutebrugge was een zetel van heerlijkheid. Te Roetaert schijnt dit ook geweest
te zijn. Voor Tasniere is in 1326 Irnhout de Tasniert vernoemd, en Anthonius van
Ophem noemt zich in 1584 heer van Tasniere.
Buiten vermelde hoven welke vrij, zeker of waarschijnlijk zetel waren van
heerlijkheid op Heikruis, onder het Oud Regiem, 15 grote en 25 kleine lenen,
afhankelijk van het leenhof van Edingen. Oninbaar waren daaronder 7 grote en 5
kleine lenen (Zie Féodalité au pays d'Enghien. Ann. C. Arch. Enghien, 1.4.blz.
381 vlg.).
* * *
Volgens de Archieven van de prinselijke familie van Arenberg werden de rechten
voor verhef van lenen, afhankelijk van het Hof van Edingen, altijd in gouden
munt gekweten. Gedurende de XIVe eeuw gebeurde het in oude "pieters" van Leuven
en oude "soudi' van Frankrijk. Vanaf 1436 gebruikte men de "rijder van
Bourgondië" van Philip de Goede : men verleende hem een waarde van vijf sols
groten van Brabant of twintig paters.
In de XVIe eeuw en begin der XVIIe gold de "rijder" 30 paters. Door verordening
der lnfante Isabella, 27 september 1627, moest het verhef of "hergeweyde" in
gouden rijders betaald worden, de rijder geschat op 3 gulden en 19 paters
Brabants.
De Brabantse gulden gold 1/6 van een pond Vlaams of 7 pond en 10 schellingen
parisis. In 1600 was het pond parisis 2.57 Fr; in 1650 : 1.82 goud waard. Het is
zeer moeilijk de juiste waarde van het oud geld te bepalen. Meest praktisch zou
zijn : nazien wat men er toen kon voor kopen en met de huidige prijzen
vergelijken.
Volgens fiscaal recht werden de lenen verdeeld in "volIe" en "kleinere" (fiefs
amples et fiefs liges) ; volle lenen waren diegene welke 10 gouden rijders ‘s
jaars moesten betalen, of indien zij niet van zulk belang waren, toch volle
rechtsmacht bezaten. Als volle leen werd aanzien die welke een feodale rente van
10 rijders moesten betalen. Lijfrente en vruchtgebruik betaalden maar half
recht.
Kleine lenen betaalden voor verhefrecht een "rouf", dat is de waarde van de
gemiddelde opbrengst van de laatste drie jaren, vast te stellen onder eed, of
bij middel van gelijk welk ander bewijs. Voor alle lenen kwamen daarbij nog de
rechten voor de Soeverein, akte en leenmannen. (Ann. C. Arch. Enghien, I.-4-blz.
129).
* * *
De Galmart's hebben sedert minstens een paar honderd jaren pachthoeven in
gebruik of eigendom gehad te Heikruis en aan de grens ervan te Bogaarden en
Herfelingen. Volgt de lijst van die hoven en, voor zoveel er nog niet werd
gehandeld, een korte nota:
1) Hof Ten Neufken (Bogaarden). Zie uitgebreide nota verder.
a) de Nayre, Joos, Jan en Alexiens. Vroeger de Heuwe ?
b) Gilis Walraevens x Catherina Duran.
c) Petrus Walraevens x Anna de Mol; weduwe hertrouwde zij met:
d) Adriaan Covens, geb. 1705.
e) Jan Francis Galmart x Theresia Covens.
f) Adriaan Van den Berghe (+ 3.5.1836) x Anna Walraevens, geb. 26.7.1767
+7.2.1830.
g) Pieter Jan Van den Berghe. Hij kocht het hof Te Tasseniere.
h) Petrus Jozef Van den Berghe x Sophie Vanderheyden.
i) De Valckeneer x Anna Maria Van den Berghe.
j) August Maes x De Vroede
k) Victor Claes x Alice Devalckeneer.
1bis) Klein hof Te Neufken.
Nu Paridaens August; was vroeger eigendom van de Van der Berghe's van Ten
Heufken. Door erfenis is het nu eigendom van de heer Janssens-De Stordeur te
Tubeke.
2) Hof Ten Bosch.
De pachters van Ten Bosch waren :
a) Adriaan Jozef Galmart, zoon van J. F. Galmart en Th. Covens x Maria Anna
Francisca Van den Heuvel. A.J. Galmart stierf op 6.4.1837. Alvorens op Ten Bosch
te gaan was hij een tijdje op het hof Orincx (Trop).
b) Petrus Jozef Galmart, minor x Maria Anna Paridaens.
c) Joos Galmart, zoon van voorgaande, x Jeanne Catherina Devalckeneer.
d) Jan Baptist Galmart x Pauline Vander Motten
e) Jozef Galmart x Maria Vanderpoorten. Alvorens ze gaan rentenieren op
Heikruis, was hij nog een tijdje op het hof "Hoge Schuur" te Pepingen.
f) Emiel Seghers, en daarna zijn weduwe en kinderen.
g) Raymond: Peeters.
3) Klein ten Bosch.
a) ln 1840 de weduwe A.J. Galmart-Vanden Heuvel
b) Petrus Jozef Galmart, welke tevens Ten Bosch behield.
c) Theofiel en Antoinette Galmart, kinderen van voorgaande, op ," Klein ten
Bosch alleen.
d) Victor Galmart, zoon van Joos en C. Devalckeneer x Marie-Louise Vander Roost
en daarna 1934 samen met hun schoonzoon :
e) Octave Van Ongeval x Paula Galmart.
4) Hof Risseloo.
Adriaan, Jozef Galmart x M.A. Vanden Heuvel.
5) Hof Te Tasseniere.
a) P.J. Vanden Berghe (zie 1) g)
b) De kinderen van Joos Galmart x Catharina Devalckeneer (Ten Bosch),
c) Theodoor Galmart x Celine van Lathem.
d) We Th. Galmart en kinderen.
6) Hof Te Plutsingen. (Hof van Cieskens).
a) Theodoor Galmart, zoon van Petrus, Jozef, minor, x 1° Dorothea Paridaens, 2°
Antoinette Van Lathem; van deze laatste :
b) Josse + 1942 en Jan-Baptist.
c) Charles Langhendries x Vander Motten, sinds 1947.
7) Hof Te Boutebrugge.
a) Jozef Galmart, ook zoon V,3n Petrus Jozef, minor, x Anna Abbeloos, eerst op
het Hof Abbeloos, Plaats te Gooik.
b) Albert Galmart, zoon van voorgaande, x Celine De Dobbeleer.
c) Nestor, Gaston en Albert (+ 1959), zonen van voorgaande.
8) Kamshof. (Molenstraat : Frans Panny 1968)
Gaston Ga.lmart, zoon van Albert en Celine De Dobbeleer.
9) Hof in de Ziekenhuisstraat.
Jules Galmart x Nathalie Sterckx.
Hof Ten NEUFKEN.
Dit hof, alhoewel op Bogaarden gelegen, heeft nochtans voor Heikruis belang,
omdat, alvorens op Ten Bosch, Tasseniers, Boutebrugge, hof Te Plutsingen en
Risseloo te boeren de familie van Ten Heufken was.
Het hof was eigendom der Abdij van Cantimpret-Bellingen, totdat het op 29.1.1793
werd aangeslagen en als nationaal goed verkocht werd, aan de familie Claes, die
een hoeve en landbouwstekerij uitbaatten in Lembeek. Na 1878 ging ten Heufken
over in het bezit van de familie Tserstevens-Claes. Nadien waren te Heufken en
nabi,j gelegen kleinere hof Paridaens eigendom van Juffrouw Sophie Verheyden
(Bogaarden) x P. J. Van den Berghe. Daarna kwam Ten Heufken aan de familie
Pierre Van der Meersch, en het hof
Paridaens aan Janssens-Destordeur (Quenast), door erfenis.
Landerijen van Ten Heufken verhieven van het hof van Edingen :
« 1655. Un bonnier 40 vergas sur le Heuvene (oninbaar volle leen) ». Een
belangrijk stuk op Ten Heufken hing af van het hof Boutebrugge :
« 1744. Treize bonniers terre et prés sur le Huve. »
Hoe kwam het hof aan zijn naam ?
Wellicht door pachter Jan de Heuwe +12.1.1712, en zijn zoon Jan, baljuw,
27.3.1712. Hun grafzerk ligt onder het hoogzaal in de kerk van Bogaarden. Na de
De Heuwe's kwam Jan Peeters x Anna Peters, baljuw. De datum van overlijden van
Anna Peeters wordt niet vermeld. Na J. Peeters komen Joos, Jan en Alex. De Nayer
en daarna Gilis Walraevens, die zijn "Memorieboek" van Ten Heufken begint in
1732. Hij was evenwel reeds pachter in 1729. Zijn echtgenote was Catherina Duran.
De pachterijen staan in het memorieboek vermeld : "Voor een huis en andere
gebouwen, hof, enz. met verschillende stukken weide, ter grootte van 5 bunder,
daarbij 3 bunder bos en 29 bunder 3 dagwand en 33 roeden zaailand : te samen 37
bunder 3 dagwand en 33 roeden was de huurprijs : 565 gulden, 10 penningen, 25
syster sukerioen (gerst) , 2 koppen kiekens, 300 schoven tarwe en alle drie jaar
een os. In 1772 werd de som in geld te betalen verhoogd tot 1000 gulden (vlg.
Staatsarchief, Brussel, rekeningboeken der Priorij van Bellingen. Cit. Klein
Walsch Brabant, Everaert en Bouchery).
Gillis Walraevens, broeder en zusters, hadden bovendien nog in huur van Joos de
Neyer tegen 80 gulden per jaar : "sesse bunder lant, noch een dagwant lant van
een half bunder meers : zeven bunder min een dagwant met den mers". Daarna nog :
"ten eersten seven dagwant lant achter de kercke te Heycruyse. Item nogh twee
dagwant meers te Heycruyse. Te Bogaarden achter Luipekens drij dagwant lant hiet
min, vijf dagwant den rispeleer, hiet min thien dagwant omtrent de wolle sack
hiet min". Van de goederen van Joos De Neyer te Bogaarden : eerst vier bunder
gehouden van heer van Risoir, vyvervelt een bunder, alover pater block twee
dagwant en aIf dagwant en alf eenige roeden, te berge en blucken van am (Ham)
twee dagwant alf, ronne meers een dagwant meers : tot hier seven bunders en
dagwant en aIf". Van al dat land werd soms weI een klein deel voortverhuurd,
maar met de jaren werd er ook bijgehuurd en bijgekocht.
Peeter Walraevens was gehuwd met Anna De Mol, dochter van Peeter, brouwer en
schepen te Bogaarden, en Van Maria Neetens. Na de dood van Peeter Walraevens
hertrouwde zijn weduwe Anna de Mol met
Adriaan Covens, geb. te Pamel in 1705. Deze werd dan pachter van Ten Heufken en
ook schepen van Bogaarden.
Bj-j het overlijden van Anna De Mol schrijft de pastoor van Bogaarden in het
register : + 25 Aug. 1758 +Anna de Mol oriunda ex Pepinghen vidua vere
christianae et laudabilis vitae, extincta est hydropisi. Sepulta in ecclesia sub
monumento familiae Gulielmi Walraevens." De weduwe Anna De Mol was dus een echt
christelijke vrouw, zij stierf aan waterzucht en werd begraven in de kerk van
Bogaarden onder de zerk van de familie van Gulielmus (zal Gilis moeten zijn)
Walraevens. De dochter van Adriaan Covens en Anna De Mol, Theresia Covens, huwde
Jan Frans Galmart; deze was niet lang op Ten Heufken : hij ging naar het bof
Orinckx (Trop) en van daar naar Ten Bosch.
In het Memorieboek van Ten Heufken schrijft J. F. Galmart : "Den onderschrevenen
kenne gerekent te hebben met mijne schoonvader ende moeder Anne De Mol naer ons
cranck vermogen voor zijn zesde paert van de goederen ende ja oude rente ende
nieuwe renten endc alles het lant pacht e-nde altes volrekent tot den jaere 1700
drij envirtihg. Voldaan beloopt samen jaers sesde paert 24 guldens seventhien
stuyvers en alven".
Achteraan in het Memorieboek staat : "Memore van de kinderen van Gilis
Walraevens en Cathrina
Duran: Anna Walraevens is geboren den ses en twintighsten Junius 1757, Peeter
Josephus Walraevens is geboren den sesten meij 1763, Josefus Walraevens is
geboren de 22 november 1766, Catharina Walraevens is geboren den 25 november
1768”.
De zoon van Jan Frans GaImart en Theresia Covens, Adriaan Jozef Galmart, was
pachter van Ten Bosch. Op Ten Heufken had opgevolgd : Anna Walraevens (+
7.2.1830) gehuwd met Adrianus van den Berghe (+3.5.1836). Na hem kwam Van den
Berghe, Pieter, Jan, (28.8.1860). Deze kocht van Jaques Théodore
Joseph, Charles, Ghislain Despartz, vicomte du Courtoy, eigenaar te Jandrain,
het hof Te Tasseniere op 5.12.1838. Dat hof werd vanaf de XIXe eeuw ook "Keykenshof"
genaamd wegens de vele keitjes in de grond van de koer. De koer is nu gekasseid
en er is van de keitjes niets meer te merken. Men noemt dit hof ook Ten Heufken
omdat het door P.J. Van den Berghe van Ten Heufken werd aangekocht.
Na P.J. Van den Berghe was de pachter van Ten Heufken : J. B. Devalckeneer x
Anna Maria Van den Berghe. De pachteres stierf 22.3.1865. Daarna waren op Ten
Heufke August Claes x De Vroede en nu, de h. Victor Claes x Alice Devalckeneer.
Hof Te RISSELOO.
Het hof ligt aan de Mollestraat, op Herfelingen. Voor Heikruis heeft het meer
belang omdat de familie Galmart het ook in gebruik heeft gehad.
Het hof was een leen van Edingen en bestond als dusdanig, in 1681, uit 4 bunder
land en meers, liggende op Risloy, parochie Herfelingen, palende aan de
Brunehaultsteenweg.
Van dit leen deden verhef :
1650 : Antoine Philippe, heer van Baudrenghien;
1717 : Jonkheer Ed. Fr. Dauxy, die het leen aankocht ;
1743 : Bernard de Nava, zijn kleinzoon;
1749 : Jeanne Louise de Nava.
Dan kwam het bof in het bezit van Weled. Heer van Hoobroeck de la Motte (van het
hof Eggerdaal te Bogaarden).
Rond 1840 werd het hof in pacht genomen door de weduwe Adriaan, Jozef Galmart x
M.A. Francisca van den Heuvel. Zij had tevens in pacht Groot ten Bosch en als
eigenares : Klein ten Bosch.
Tot 1859 was de heer Alexander Carlier-Langhendries uit Halle pachter geweest op
Risseloo; nu is het de heer Maes, die het aankocht van de heer Van Hoobroeck.
* * *
Hof Ten BOSCH.
Tot in 1902 behoorde Ten Bosch geestelijk aan de parochie Heikruis. Burgerlijk
behoorde het aan dezelfde gemeente, minstens tot in het begin der 19 eeuw. Onder
het Frans Bewind beweerde Pepingen rechten te doen gelden op Ben Bosch. De meire
Bosteels van Heikruis hield natuurlijk aan zijn belangrijkste belastingbetalers.
In een brief van 3 complémentaire, an lX schreef hij aan de Préfet dat Ten Bosch
op een kaart van 1602 als behorende tot Heikruis werd opgegeven. Pepingen kon
alleen als bewijs aanbrengen een oud “Cartulaire" waarop hoven en landrijen per
kouter werden gerangschikt, om de tienden te kunnen ophalen voor de Abdij van
Cambron, van Ste Genoveva, van St Jans Hospitaal te Brussel, enz... Daarmee was
op verre na niet bewezen dat Ten Bosch bij Pepingen was. De maire en pachter
Adriaan Galmart werden dan ook in het gelijk gesteld.
Jan Frans Galmart x Theresia Covens werd rond 1750 pachter van Ten Bosch. Zijn
zoon Adriaan Jozef Galmart x Maria Anna Francisca Van den Heuvel (geb. Pamel
30.2.1750) volgde op, rond 1785. Adriaan Jozef stierf 6.4.1837 en zijn
echtgenote 8.4.1843. Deze was intussen eigenares geworden van het hof op de hoek
van de Mollestraat en de Ziekhuisstraat (nu Van Ongeval). Het werd Klein ten
Bosch genoemd omdat het aan de pachteres van Ten Bosch toebehoorde.
Petrus, Jozef Galmart, minor, geb. 28.7.1798 x Maria Anna Paridaens had beide
Ten Bosch in gebruik.
Ten tijde van pachter P.J. Galmart x M. A. Paridaens was er in de namiddag op 21
oogst 1852, na een geweldige stortregen welke twee uren duurde, overstroming op
Ten Bosch. In de stallen stond het water een meter hoog. Men legde ladders over
bundels hooi en klaver en haalde alzo schapen, zwijnen en kalveren uit de
stallingen. Enkel een paar zwijnen en enkele lammeren verdronken.
Zijn zoon Joos, geb. 16.8.1825 + 27.2.1880 x 10.8.1864 Catharina Devalckeneer
volgde op Groot ten Bosch. Na Joos Baptist Galmart, geb. 1.2.1837, zijn broeder,
gehuwd met Paulina Vandermotten, geb. te Zarlardinge op 31.12.1839. Na deze, hun
zoon Jozef Galmart x Maria Vanderpoorten. Deze was de laatste Galmart op Groot
ten Bosch.
Vóór de Franse Revolutie behoorde Ten Bosch waarschijnlijk aan de Abdij van
Cambron in Henegouwen. Daarna was zij bezit van de Burgerlijke Godshuizen van
Mons. Over enkele jaren werd Ten Bosch verkocht aan de heer De Vos te Brussel.
Na de H. Jozef Galmart was de heer Emiel Seghers en daarna dezes weduwe en
kinderen op Ten Bosch. Nu is er de h. Raymond Peeters.
* * *
Klein ten BOSCH.
Het hof werd rond 1840 aangekocht door de weduwe van Adr. Jozef Galmart x M.A.
Van den Heuvel. Na haar dood 8.4.1843 verbleef er haar dochter Anna Maria
Christina, en dan Petrus Jozef Galmart, minor x Anna Maria Paridaens, welke
beide hoven Ten Bosch gebruikte. Daarna kwamen Theofiel (geb. 1823 + 1893) en
Antoinette (geb. 1836 + 1894), kinderen van voorgaande; deze bleven ongehuwd en
hakken klein ten Bosch alleen in gebruik.
Hun broeder Joos was op Groot ten Bosch alleen. Na de dood hunner ouders (1880),
kwamen de kinderen van Joos op Klein ten Bosch. Een hunner, Victor Galmart x
Louise Vander Roost kocht het hof na de dood zijner tanten. Hij bewoont het
sinds 1896. Vanaf 1935 is hij er samen met zijn schoonzoon, Octaaf Van Ongeval x
Paula Galmart.
Boven de ingangsdeur van het woonhuis van Klein ten Bosch is in de deurlijst
gekapt : D. I.1796. In de ankers boven de hofpoort : 1796.
Nergens staat vermeld dat een Galmart Klein ten Bosch zou gebouwd hebben. Met
zekerheid kan ook niet gezegd worden wie die D. I. zou mogen zijn. Een kleine
aanduiding zet ons wellicht op de weg. Gilis
Walraevens was gehuwd met Catherina Duran. In zijn Memorieboek merkt hij dat hij
in 1779 en later nog zaken deed met zijn schoonbroeder P.J. Duran. Later wordt
land gehuurd van de weduwe Duran. In 1797 komt een lening voor aangegaan bij
Joannes Duran. Zouden het de beginletters van de naam van Joannes Duran niet
zijn die boven de huisdeur prijken op Klein ten Bosch ? Toen Oct. Van
Ongeval-Galmart het woonhuis herbouwden werd de deurlijst herkapt. Nu staat er
volgend opschrift : D. I.1796 - O. V. O. - P. G. 1947.
* * *
ANDERE HOEVEN TE HEIKRUIS.
Hof PARIDAENS. (nu Hofmans) (Claes)
Tot over honderd
jaar was het weI het enig dat in steen was opgebouwd. Alvorens eigendom te zijn
der Paridaens, behoorde het aan Weled. Heer Van Hoobroeck te Bogaarden. De
ankers in de gevel dateren 1756.
Over enkele jaren
vond men er in de muur een pot met zilveren munt, welke men kaar in kwade tijden
had weggeborgen.
De moeder van de
huidige eigenaar was een Paridaens. Op dit hof waren : J. H. Paridaens, geb.
1776 x Isabella Walraevens, geb. 1774 en Paridaens x Barbara De Schuyffeleer.
Charles-Louis
Paridaens, maalder op de stenen molen, was gehuwd met Maria Josepha De
Schuyffeleer, zuster van voorgaande.
Lambert Paridaens
x M.Ther. Langhendries was op het hof van Sergeantes, Ziekhuisstraat. Hij was
zoon van Carolus Paridaens + 10.7.1841 (79 jaar oud). Deze was zoon van Nicolaas
Paridaens x Elisabeth
Sergeant.
Op het hof in de
Ziekhuisstraat, waar nu Jules Galmart-Sterkx woont, was in 1853 Jean François
Paridaens x Leroux Philippine.
In de bosstraat
woonde J. B. Paridaens, geb. 1785 x Jos. Willems, geb. 1805, in het jaar1853.
Paridaens zijn nog
op Klein ten Heufken.
Sinds meer dan 150
jaar zijn Paridaens en afstammelingen geweest op het Hof te Plutsingen.
Hof Duran op Terlinden
Dit hof is nu ten dele gemoderniseerd. Van het oude hof was er tot 1949 nog een
oud duiventil
Een duiventil mocht niet de eerste de beste hebben: men moest een hof van zekere
belang hebben. Bij edikt van 1613 werd bepaald dat men ten dien tijde 3 bunder
koren moest staan hebben om een duiventil te mogen hebben. Later werden 9 bunder
vereist, omdat er misbruiken waren. De duiven werden gehouden voor het
afslachten, zij moesten hun voedsel maar vinden op het veld: dus veelal op de
velden welke niet van de eigenaar van de duiven behoorden. Om buiten de
vastgestelde voorwaarden een duiventil te mogen hebben, was het niet genoeg een
"immemoraal" gebruik in te roepen : men had wat te veel geteerd op het graansel
van de kleine mensen.
Hof te Nanove ( nu Cochez)
Het behoorde tot voor enkele jaren nog aan Weled, Heer van Hoobroeck. Het ligt
niet ver van de "Kluis", die als waarschijnlijk vooruitgeschoven observatie of
verdedigingspost moest dienen van het Kasteel van Edingen.
Schansen en overstromingsterrein komen tot aan het hof Te Nanove, zodat het wel
mogelijk is dat het hof voor de bevoorrading van "de Kluis", welke volop in het
huis de Strihoux gelegen was moest dienen
|