BEVOLKING - TAAL - BEDRIJF - CHIRURGIJNS EN VROEDVROUWEN.
Bevolking.
In 1630 waren er te Heikruis ongeveer 350 inwoners. In 1802, volgens de
parochieregisters en het verslag van de maire: 750. In 1840: 1050; in 1875: 995
in 1900: 1055; in 1915: 912; in 1930: 848; in 1945 : 720; einde 1949: 752. Dus
sinds 1840 : 29,8 % verlies. De moderne kwaal zal er wel voor een deel schuld
aan hebben, maar ook andere oorzaken hebben hun invloed doen gelden voor deze
vermindering aan de bevolking. De grote hoeven blijven onverdeeld, men doet
haast niets dan grote, grove culturen, er is veel weiland. Boerenzoons en
-dochters blijven dikwijls ongehuwd, of wijken uit als zij trouwen. Indien men
meer aan fijnere cultuur deed, dan zou men op wat min hectaren ook zijn brood
verdienen : Heikruis heeft 752 ha oppervlakte, dus één per inwoner!
Over een honderdtal jaren, als een hoeveknecht van 0,75 Fr tot 1Fr en een
hoevemeid van 0,50 tot 0,75 fr daags verdienden, met de kost, is het nog al eens
gebeurd dat men schamele hutten die zij bewoonden liet vervallen. Ze moesten dan
verhuizen en vielen niet meer ten laste van het Armbestuur! Nu moet men soms 100
Fr met de kost en sociale kosten betalen en... in de fabrieken is het werk niet
zo zwaar en men is er ook goed betaald. De steengroeven van Quenast zijn niet
ver, er zijn daar bij de fabrieken van Halle en Tubeke. Naar zijn werk, zelfs te
Brussel, kan men met tram en trein. Ongehuwden rijden over ende weer, maar eens
getrouwd gaat het werkvolk toch liefst nader bij het werk wonen.
Taal.
Heikruis ligt aan de taalgrens en tot met de Franse Omwenteling behoorde het tot
het Graafschap Henegouwen; het was leen van de heren van Edingen. De
bestuurstaal voor de betrekkingen met het hoger beheer, en wel tot 1513, was
Frans. De betrekkingen met nabijliggende dorpen, Waalse dorpen waren nogal druk.
Men zal niet verwonderd opkijken als men in de registers vanaf 1590 tot 1650
tegenover 3 Vlaamse familienamen er 35 Waalse aantreft. Eén familie gebruikt
tevens haar Vlaamse en Franse naam. Van Achter -Ladrière. Eén andere noemt men Devlemincx en tevens Serjant. Serjant is een naam
uit Oost-Vlaanderen : voor een Brabander zijn zij natuurlijk Vleminc.
Begin der XVIlde eeuw staat er nog in het register eens mansvoornaam alleen:
pachter Servaes. Vier vrouwen worden alléén bij hun voornaam genoemd, en andere
als dochters of huisvrouwen van die of degenen. Zeven families dragen een
dubbele familienaam: de familienamen werden maar eerst min of meer vast vanaf
1600, toen men de parochieregisters voor dorpen, huwelijken en overlijdens moest
gaan houden.
De oudste families (vermeld vanaf 1590) in Heikruis, en waarvan nog
afstammelingen bestaan zijn : Coppens, Roobaert, Mot, Beeckman, Luycx,, Breysens,
Walraevens, Gallemaert, ook de Custere, de oude kosterfamilie (waarvan de
laatste afstammeling hier in 1891 en te Herfelingen in 1946 overleed), van
Gellinghen, de Valckeneer, De Bast, Van den Berghe, Breynaert, Paridaens, Sterck,
Agneesens, Van der Stock en ook de Cremer en Duytaet genaamd, Abeeels, Van
Holder, Sergeant, ook Vlemincx, Pletincx, Cowe, Ost, Lehuwe, Carlier, Prieels,
Vastesaeger, Clement.
Wat deden de mensen hier om hun brood te verdienen?
Wij vermelden hier niet speciaal de geestelijken, de beambten der heerlijkheid
en van het gemeentebestuur; daarvoor immers gaat het ook nog elders.
In 1596 Pachter Servaes en in 1639 Frans Clement, pachter van Te Rijst. Rond
1700 Henri Seghers, pachter van Te Rijst en andere pachters vermeld. In 1602 :
Adriaen van de Buercht, molenaar van Te Rijst; in 1724 Petrus Longuez,
schaapherder, Giliam Portiers, smid; in 1726 Ludovicus Portier, smid. Voor 1741
: Jozef Roosens, schrijnwerker; in 1746 Guillaume de Vlaeminck, blokmaker op de
Plaats en 1748 Adrien Bien- fait, hoefsmid. Joos de Coster is wagenmaker bij de
Plaats en Danboum, chirurgijn “aen d'erve van de cure” in 1764. Adrien Brancart
is smid aan de Plaats in 1780, enz...
Van 1801 tot 1807 noteert men in de geboorteregisters de beroepen van de vader
en de twee getuigen, men vermeldt of die mensen kunnen lezen en schrijven.
Natuurlijk heeft gans de volwassen mannelijke bevolking gedurende dat
tijdverloop niet voor de ambtenaar van de Burgerlijke Stand gedefileerd, maar
men krijgt zo toch een beeld van de toestand. Er waren toen 750 inwoners, onder
wie 71 landbouwers, 49 handwerkers, 11 wevers, 2 spinsters, 5 kleermakers, 3
herbergiers en één biersteker. Buitendien 2 berdzagers, 2 timmerlieden, 1
wagenmaker, 1 kuiper, 1 metser en 1 strodekker. De min of meer intellectuelen
zal men omtrent uitsluitend tussen de overheidspersonen en personeel, ook tussen
de grote pachters, niet immer vrouwen, moeten zoeken. Van de 159 genoteerde
personen waren er 73, de kleine helft, ongeletterd.
Er waren voor die tijd geen fabrieken, weinig grote bedrijven, geen ijzeren
wegen, meestal slechte banen. Elk moest ter plaatse gediend worden, en zo komt
het dat er in verhouding meer ambachtslieden waren dan nu.
Voor 1823, 1825, 1827 en bijvoegsels voor 1828, 1830 en 1833, hebben wij de
lijst der Patentschuldigen:
1823: nemen nog patent: 3 kleermakers, 2 timmerlieden, 1 wagenmaker, 1 hoefsmid,
2 schoenmakers, 2 beestenkooplieden en slagers, 1 maalder, 4
winkeliers-herbergiers en 3 bakkers, 2 alleen herbergiers en 1 herbergier van de
3 kleermakers, 1 branderslijter.
1825: nemen nog patent: 3 kleermakers, 2 slachters, 3 kuipers, 2 hoefsmeden, de
ene Brancart, Jeroma, wiens familie sinds lang op de Plaats, haar smids had,
gebruikte een gast; de tweede was Willem Boulangier, vroeger hoefsmid in legers
van Napoleon; hij woonde te Brussel, maar kwam tussendoor in Heikruis. De boeren
van Ter Linden en Bosstraat, om in hun buurt een smid te hebben, stelden aan
Boulangier voor hem in te stellen. Daarop kwam de man hier wonen en bouwde zich
eerst een logie en later een huis en flinke smis. Zijn kleinzoon nu
tachtigjarige, stond tot over een paar jaren nog aan zijn vuur en blaasbalg,
maar renteniert nu en heeft het flink verdiend. De eerste Boulangier maakte in
1826 het smeedwerk aan de grote brug van de kasteelvijver van te Rijst. Buiten
de reeds vernoemde waren er in 1825 nog 1 timmerman en twee karrenhandelaars :
A. J. Galmart en J .B. Plaisant.
1827 tot en met 1833: 4 kleermakers, 1 met gast, 1 met zijn zoon; 1
beestenkoopman en slager, 1 slachter en 3 vleesverkopers, 2 bakkers waarvan nog
een winkelier, 1 herbergier en 1danrbij nog wevertaaier en kamslager erbij was (P.
De Baer); in 1830 was zijn broeder met zijn vennoot voor de weverij. 1 was
witter, winkelier en herbergier; 1 kramer, 1 berdzager, 1 strodekker, 1
huisschilder, de baksteenhandelaar A.J. Galmaert deed er nu ook kolenhandel bij.
Verder 3 onderwijzers; één van hen, Jan Vanden Berghe, werd nog koster en
kaarsenmaker.
Wat nu de boeren aangaat : in 1834 waren er 112 ha bos, 95 ha weiden, 90 ha
klaveren, 17 ha groenten, 119 ha tarwe met opbrengst van 13 hl per ha, 6 ha
rogge met 20 hl per ha, 80 ha haver met 30 hl per ha, 40 ha colza met 14 hl per
ha, 15 ha vlas met 400 kg, 15 ha bonen met 20 hl, 30 ha aardappelen met 165 hl.
In vergelijking was de gemiddelde opbrengst nu : tarwe : 4000 kg per ha; rogge :
3000 à 3500 kg; haver: 4000; zwijnaard (paarde- en duivenbonen) geeft circa 2500
kg. .
In 1836 waren er hier 275 hoorndieren, 84 trekpaarden en 41 andere. Wagens : 60.
Er waren 174 huizen en 189 gezinnen, gemiddeld 6 personen per huis en 5 per
gezin. De bevolking in 1836 bedroeg 996 personen. Er waren 90 landbouwers, 17
winkeliers; maalders, bakkers en beenhouwers tezamen 6; herbergiers : 10;
handwerklieden en hoeveknechten : 108. Daarbij nog 3 geestelijken, 7
kloosterzusters, en 31 soldaten in legerdienst. Er waren toen 210 personen ten
laste van het Armbestuur.
De daglonen waren voor de dagloners, kleermakers en schoenmakers : 0,75 Fr; voor
de hoeveknechten : 1 Fr; hoevemeiden: 0,75 Fr. De wevers verdienden 1 Fr daags,
de metsers, slotmakers, smeden, timmerlieden, groevearbeiders en mijnwerkers :
1,50 Fr.
Van 1815 tot 1840 was de toestand betrekkelijk goed na de oorlogen en de
beroering van het einde der XVIIIe eeuw. Men kan er wat van merken aan het
aantal bakkers, slagers en winkeliers, maar vanaf 1840 begon het te verminderen.
Het gemeentebestuur in een verslag van 1844 meldt dat de oogst bitter slecht was
geweest : de tarwe had maar de helft opgebracht, rogge en haver 3/4, de
zwijnaard 4/5, de aardappelen 1/4, het colza de helft. Op 1073 inwoners moest
het Armbestuur er 400 ondersteunen. Op de pachthoeven was de gewone daguur 4 à 5
stuivers en de kost, voor de mannen. Soms boden ze zich aan voor de kost alleen,
en als er een borrel bijkwam, kreeg men volk zoveel men wilde. Boerenmeiden
hadden een stuiver daags en de kost, daarbij elk een paar voorschoten en
kloefen. De tijden zijn veranderd ! Nu moeten boer en boerin en hun kinderen
zich afslaven, hoevewerkvolk kan men niettegenstaande goede daguur en kost en
sociale verzekering maar lastig bekomen.
In 1775 en later rond 1835 en 1840 treft men in de registers wel vondelingen of
"infantes Patriae" aan, welke in Heikruis werden uitbesteed, maar over het
algemeen bereikten zij een normale ouderdom. Vanaf 1846 en tot 1856 werd het erg
: 17 vondelingen staan voor die periode vermeld in het dodenregister. Twee
brachten het tot een ouderdom van vijf jaren, twee tot twee, maar al de anderen
waren overleden voor dat zij de twee maanden hadden bereikt.
Over arbeidsvoorwaarden, lonen en sociale verzekering is elkeen op heden genoeg
ingelicht om er geen verslag meer over te geven.
Opgave van de beroepen der inwoners zal volstaan om een beeld te geven van de
huidige levensstandaard in de gemeente. Buiten 2 geestelijken en 32
kloosterzusters zijn er nu in Heikruis : 1 veeartsinspecteur, 1 advocaat; 2
onderwijzers; 5 onderwijzeressen; 1 gemeentesecretaris; 1 kosterorgelist; 1
postontvangeres; 4 postboden; 20 bedienden, waarvan de helft omtrent
vrouwelijke; 1 veldwachter; 7 eigenaars; 2 personen zonder beroep; 38
gepensioneerden; 12 handelaars-winkeliers ; 1 houthandelaar; 1 veehandelaar; 2
bierhandelaars; 1 mulder, 2 beenhouwers; 12 herbergiers; 1 drukker; 1
horlogiemaker; 6 metsers; 2 plekkers; 2 schaliedekkers; 2 schrijnwerkers; 1
schilder; 1 meubelmaker; 1 smid-handelaar; 1 mekanieker; 1 auto-geleider; 7
werklieden metaalbewerkers; 2 voerlieden; 2 kleermakers ; 1 hovenier; 2
boswachters; 6 hoeveknechten; 3 ijzerwegwerklieden; 33
daglonerfabrieksarbeiders, 1 fabriekwerkster; 3 steengroefwerklieden en 1
leurder.
Heikruis is wel een echte landbouwgemeente, maar men merkt toch dat er nog veel
mensen wonen welke niet in het landbouwbedrijf hun broodwinning zoeken. Er zijn
87 landbouwers, waarvan een tiental buitendien in de fabriek gaan werken. Van
een tiental onder hen gaan de dochters als bediende, twee als naaister in de
stad werken.
Chirurgijns en vroedvrouwen.
Nu er overal, zelfs op den buiten, geneesheren, verpleegsters en gediplomeerde
vroedvrouwen zijn, kunnen we ons moeilijk voorstellen hoe het er vroeger
toeging.
Te Heikruis waren er chirurgijns vanaf het einde der XVIIe eeuw. Zij woonden
allen in het huis Paridaens neven de Pastorij. In 1706 pratikeerde er Jean de
Vlemincq en daarna in 1765 Jaques Tannenbaum welke de stiel had overgenomen van
zijn vader Jozef, welke eerst op Plutsingen had gewoond. Deze laatste was
afkomstig uit Schlachwert in Bohemen en was hier achtergebleven van de oorlogen
van Louis XIV en getrouwd te Tollembeek. Na de Tannenbaum's kwam Adriaen
François Eenens, afkomstig uit Steenhuize, zijn chirurgenpraktijk in hetzelfde
huis uit te oefenen. Hij trouwde met Elisabeth Paridaens van Heikruis. Zijne
zonen Henri en Jan-Baptist waren ook chirurg, maar de eerste ging te St-Renelde
en de tweede te Dilbeek wonen.
Men kan die chirurgen nog niet van verre aan de dorpsdokters vergelijken.
Meestal waren het barbiers die ook aderlatingen deden en al eens echels
plaatsten. Zij deden ook dienst bij bevallingen. Eenens had de klandizie van
grotere pachthoeven en getuigen dan bij geboorteverklaringen als "Médecin". Hij
was zeker geen ongeletterde. Net zoals één van Herne, welke door “maire”
Bosteels in de Franse Tijd werd aangeklaagd omdat hij een verkeerde ader had
geopend en de wonde had besmet. De chirurgen waren ook groendokters en putten
veelal hun wijsheid in het Kruidboek van Dodoens en weleens in boeken van mineur
gehalte. Zij waren bedreven in het gereedmaken van wat nu terecht doorgaat als
straatremedies. Zij dreven handel in theedranken en -kruiden, Haarlemmerolie en
allerhande zalfjes. Hier en daar was er wel een uitblinker die wat studeerde en
zijn taak ernstig wou opnemen.
Vroedvrouwen waren tot vóór 75 jaar van geen hoge gehalte. Soms waren het
moeders die veel hadden tegengekomen met zieken en zelf kinderen hadden moeten
verliezen of erg mee gesukkeld hadden. Ook ziet men in het overlijdensregister
dat moeilijkere gevallen, b.v. tweelinggeboorten, dikwijls niet alleen voor één
of beide kinderen, maar ook voor de moeder een dodelijke afloop hadden.
Van 1735 af wordt als vroedvrouw vermeld : Joanna Maria Eylenbos, + 26.1.1743,
echtgenote van
Jacobus Odart; zij stierf 72 jaren en 10 maanden oud, echtgenote van Jacobus
Odart. In 1748 Joanna Coulon uit Lembeek, Maria Collau uit Bogaarden in 1745,
Marie Mertens in 1746, Josine Luyck uit Kester in 1749, Waldetrude Peeman in
1750. Joanna Bengippon uit Lettelingen was niet beëdigd. Verder zijn er nog
Maria Coulon uit Herfelingen in 1752 en Barbara Bruggeman uit Herne in 1770. In
1802 pratikeerde Antoinette Plaetinckx, wonende op de Eeckhout. Zij kon noch
lezen noch schrijven en oefende haar beroep nog uit toen zij zeventig jaren oud
was. Tot in 1916 was Veronica Bosmans, echtgenote van Egidius Legaste,
vroedvrouw. Zij in nu (in 1949) 96 jaren oud en nog flink voor haar ouderdom.
Sinds deden nog dienst als vroedvrouw : Maria Luyckx, echtgenote van Josepf
Vanderheyden en Ludovica Van Eesbeek, echtgenote van Louis Debock.
* * *
Heikruis behoort nu tot het kanton St-Kwinstens-Lennik en het arrondissement
Brussel. Aan de kerkingang ligt de Plaats 85 m boven de zeespiegel. Het paalt
ten Noorden aan Herfelingen en Kester, ten Oosten aan Kester en Bogaarden, ten
Zuiden. en Zuidwesten aan Bierk en Lettelingen, ten Westen aan Herne en
Herfelingen. De dorpskom ligt aan de baan, die de Romeinse Baan Asse-Bavay met
Halle-Hondzocht verbindt over Heikruis, Statie Heert-Bellingen.
* * *
Dat er te Heikruis zelf weinig belangrijke gebeurtenissen voorkomen moet ons
niet verwonderen. Immers, gedurende de twee laatste wereldoorlogen viel hier
niets bijzonders voor. In de Kostschool en in het Kasteel amper waar Duitse
soldaten, einde 1918 wat Engelse in het pensionaat en krijgsgevangenen op het
Kasteel. In 1940-45 : een paar overvallen van "verzetslieden" op het postbureel
en het gemeentehuis, waar opeisingen van levensmiddelen bij de boeren voor
diezelfde heren, en... dat was alles.
|