HOE REAGEERDE MEN DAAROP TE HEIKRUIS ?

Hoe werd te Heikruis de rol der belasting gesaboteerd, en hoe werd er op gereageerd? Een brief van de “sous-préfet” B. Berlaimont van Nijvel zal het ons leren:

1) les biens sont portés confusément, sans désignation.

2) il y a des surtaxes et omissions. Dus de rollen onvolledig, daarbij allerlei rectificaties waar men niet wijs meer uitgeraakt: daaruit volgen allerlei klachten en betwistingen, waarmede de maire, de adjoints en de ontvangers dan aanhoudend last hebben. In een woord hetzelfde als wat wij gekend hebben bij leveringen en opeisingen onder de twee wereldoorlogen.

Daarom besluit de « sous-préfet » :

« faire arpenter les différentes propriétés de la commune pour rédiger une nouvelle matrice afin que chacun contribue les biens qu'il occupe... ».

En dan pakt hij uit met een middeltje dat ons niet nieuw kan schijnen : « Le maire de la commune d'Haute-Croix est autorisé á l'intervention des commissaires répartiteurs de faire mesurer les différentes parties de bien de la commune » ... en wat nog erger is :

« Les frais de ce mesurage seront supportés par les contribuables au marc le franc de la contribution foncière ... Le maire transmettra d'abord au sous-préfet les obstacles qu'il pourra rencontrer dans son exécution ... »

Maar als er zo met onze Pajotten, afstammelingen der oude Nerviërs, strijdhoofden en heldhaftige krijgers, moet gewerkt worden, dan kan een meier er niet veel plezier meer aan beleven.

Voor het invorderen van de belastingen verliep het niet te best bij maire Bosteels: een vreemde die hier de Franse plak was komen zwaaien.

Het boek met de minuten van zijn brieven (1801-1804) is in het archief der Pastorij terechtgekomen. Daaruit kunnen wij vernemen :

1) dat hij de rol der belastingen niet in orde kan krijgen: “mêmes conneries et erreurs que ceux de l'année derrière" schrijft hij aan de citoyen sous-préfet.

2) Om een ontvanger te hebben moet hij J.B. Paridaens en daarna François Lerincx van ambtswege doen aanstellen.

3) Om de rol goedgekeurd te krijgen, geraakt hij er niet toe de leden van de Municipale Raad in voldoende getale op de vergadering te doen komen: 7 vergaderingen en telkens maar een paar man!

4) Overal stuit hij op moedwil. : "Il n'y a sacré dieu pas moyen d'en venir á bout avec tous ces Vreckoms et il faudrait bien 10 000 torches au milieu du jour pour trouver un homme qui accepterait une fonction qui fait tout cela." schrijft hij. Hier heeft hij het op pastoor J. Langendries die gepredikt had dat men de tienden moest blijven betalen, en dat men geen ambten van de Franse Republiek mocht aannemen. Maire Bosteels zond hierover een klacht aan de sous-préfet (21 Nivôse en 15 Thermidor jaar X (1802); hij schrijft er bij dat al de priesters in de omtrek tot dezelfde kliek behoren en dat men aan de bisschop een verzoek moest richten, opdat hij deze heren zou vermanen.

Hoe fijntjes een "conseiller municipal" zijn krijt trok om er van af te geraken, blijkt uit de brief van Léonaard de Mil aan de maire : "auxquelles fonctions je fus nommé par l'arrête du préfet de ce Département, en date du 18 Thermidor, An huit, fonctions que je ne puis remplir à cause de mon occupation de culture, vous priant de la bien vouloir accepter, je vous informe aussi que j'en ai fait part au préfet, afin qu'il nomme un autre pour me remplacer, pour que le service de la commune n'en souffre point des entraves...". Van verkiezingen voor het aanstellen van de Municipale Raad was er geen sprake. De reden dat de Mil zijn handen vol had met zijn boerderij, die kon elk hier doen gelden, en dat hij niet wou dat het bestuur der gemeente er onder leed, dat zal de maire ook wel als een lolletje aanzien hebben. Klaar is het dat de mannen niet meer wilden en maar alleen de schijn trachtten te redden

F. Paridaens doet het nog beter, hij schrijft volgend schoon briefje aan de maire: « Quoique j'ai toujours exercé toute fonction quelconque dont la République m'a voulu honorer jusques à ce jour avec toute vigilance possible, cependant je me trouve forcé, á cause de mon grand âge ainsi que de mes occupations propres, à y renoncer .... Hautecroix, ce quatre Brumaire an dix. »

5) Meier P.J. Plaisant en de vroegere schepenen hadden geld ontvangen dat aan de armen moest te goede komen, maar zij gaven het aan de maire niet af. Plaisant en J.B. Derijcke hadden hem ook de pacht niet betaald die eveneens voor de armen was. Van het curegoed kwam niets binnen. Alleen van A.J. Galmart pachter van Ten Bos, had hij belasting geïnd; maar die had wellicht maar betaald om de maire, in het geschik dat de pachter had met die van Pepingen, op zijn kant te hebben. Zij beweerden dat Ten Bos afhing van Pepingen, maar pachter Galmart had reeds voldaan voor zijn belasting te Heikruis en tweemaal betalen zal geen enkel mens willen doen. Anderzijds was A.J. Galmart één der grootste belastingbetalers en daar hield onze maire wel van. Er kwam al zo luttel binnen, hij verdedigt dan ook hardnekkig die pachter tegen de stroperij van die van Pepingen. Ook met "citoyen" de Kempis", of juister heer Jan Huysman, neef van de vroegere P.J. de Kempis van Te Rijst, had hij met aan de stok. Citoyen Kempis liet weten dat het hier ging om een rente, waarmede hij persoonlijke verplichtingen aan de kapelaan moest voldoen, en wel misschien op bepaalde dagen te celebreren in de kerk van Heikruis.

6) De torenspil was afgewaaid en had ook het gewelf in de kerk beschadigd. Maire Bosteels wil een taks doen innen om de herstellingen te bekostigen... maar alvorens hij het had kunnen doen, hadden de parochianen er op eigen hand al voor gezorgd.

Op zijn bedienden kon de maire niet veel rekenen: Fr. Cantillon was de zoon van de oude koster Dom. Cantillon. De pastoor vertouwde hem ook niet erg... Op zeker ogenblik had hij hem verboden nog op het koor te komen als hij zijn vader kwam vervangen. Maar, als het er op aan kwam om het ambt van onderwijzer vanwege het gemeentebestuur doen aan te nemen, is hij er niet voor te vinden.

De tweede bediende, J.Van den Herghe moet ook wel het vertrouwen van de pastoor gehad hebben, vermits hij hem later als koster aannam. De pastoor was, zoals wij het reeds vermeldden, bij de maire slecht aangeschreven: hij stond ten andere op de lijst van de te deporteren priesters. Een feit dat ook eigenaardig schijnt is dat de "minuten" van de brieven van maire Bosteels in het archief der pastorij zijn terechtgekomen. Juist was het dat deel waaruit klaar bleek dat Fr. Cantillon absoluut niet wou gemeenteonderwijzer worden.

Met de aanhangers van de Franse Republiek had de maire ook niet altijd veel genoegen. Hij moest een zekere De Haen, vroeger boswachter der Franse Republiek voor plankendiefstal doen vervolgen.

In de families was er ook al eens ruzie tussen al of niet republikeingezinden, waar hij dan moest tussenkomen. De schoonvader van Fr. Bellemans had deze aangeklaagd: hij kreeg een pak slaag en moest het huis verlaten; hij kom alleen zijn beklag bij de maire gaan doen.

De pastoor zou ook de "conscits" tot dienstweigering hebben aangezet. Als de municipale raad moest vergaderen met een zaak "conscrits" op de dagorde, kwamen ook dan de leden niet op, of niet in voldoende aantal om wettelijk een beslissing te geven. De 20 frimaire, jaar X (1802), vraagt de maire om twee gendarmes naar Heikruis te zenden, ten einde de leden van de raad te verplichten om te vergaderen voor de conscriptie. De veldwachter saboteert ook en vermijdt van de “conscrits" op te roepen voor de raad.

Gedurende het jaar XI werden bij borger Adr. Fr. Eenens, waar de raad toen en later bijeen kwam, vergaderingen gehouden waarop de conscrits zouden moeten verschijnen: de jongens gingen zich verstoppen. De maire ging er dan zelf op af. Adrien Hoedenaecke wordt er uit gehaald bij de We Marbaix te Bassily. De maire dwingt zelf de conscrits mee te zoeken, op straf dat zij anders zelf zouden moeten binnengaan, Hij schrijft om als straf 10 gendarmes à 5 frs daags bij de We Marbaix in te kwartieren, maar daar kwam niets van. Samen met de veldwachter haalt hij Matthieu en Longez uit op de "Ferme du grand Trou” te Bierk. Veldwachter Charles Van den Steen verwittigde de jongens als hij wist dat er gevaar dreigde: maire Bosteels vertrouwde hem niet en uiteindelijk zette hij hem af op 17 floreal jaar XII (1804). De maire had er zijn goesting van; op 20 frimaire had hij reeds geschreven: "Je demanderai ma démission, car depuis longtemps je suis dégouté de leur férocité et je ne dois pas me faire du mauvais sang pour un tas d'imbéciles et de malveillants comme eux.”

Buiten Hoedenaecke en Longez valt als wederspannige conscrit van Heikruis nog aan te stippen: Josse Pillet. Hij deserteerde twee maal. Te noteren dat Heikruis maar twee man per jaar moest leveren voor het leger.

In Herfelingen liggen in het overlijdensregister wel een tiental overlijdensakten van jongens die in het Franse leger dienden. Voor Heikruis is er maar zulk één overlijden geboekt. J. Van der Stokken lag als soldaat in het Hospitaal te Madrid in December 1808. Hij stierf evenwel in het Hospitaal van Roermond de 17 april 1809 te 7 uren ‘s morgens. Hij was berecht en had nog twee maal onze Heer ontvangen. Later wordt nog vermeld dat Pieter Vanderstokken, die het leger ontvluchtte, amnestie bekwam in 1813.

* * *

Toen 13 oktober 1798 het besluit werd bekend gemaakt dat de jongens van 20 tot 25 jaar werden opgeroepen voor de dienst in het Franse leger, is ook de openlijke strijd losgekomen. Op zaterdag 27 oktober 1798 geraakten onze jongens slaags met de soldaten van de Republiek, nabij het Kartuizerklooster. Daags tevoren al had men te Edingen gevochten. Er waren mannen van Heikruis bij de groep, waarvan Adriaan Verhaevert, uit Kester, een Oostenrijks deserteur, de leiding had. Reeds was men eerst voor verzameling de 25 oktober naar Halle opgetrokken over Heikruis. Er waren een honderdtal jongens bij uit Herfelingen: men had er de Vrijheidsboog afgepakt. Pachter Nechelput had ze daarop met jenever getrakteerd.

Na de slag van Herne leidde J.B. Grisez, een jongen uit Herne, de mannen terug over Heikruis naar Herne. Misschien begroeven zij hun doden in Heikruis, want voor die tijd schijnen al de begrafenissen te Heikruis niet opgeschreven te zijn: een vrijwillige omissie waarschijnlijk.

Uit Halle keerde een groep naar Gooik en terug naar huis; enige gingen in het Zoniënbos Charles Jacquemijn vervoegen om de strijd voort te zetten.

Als zwart goed werd pastoraal goed van Heikruis alleen verkocht aan de bekende opkopers "Compagnie Boden" van Brussel, op 12 thermidor jaar XI (1803) : 5 bunder dat verpacht was aan de Weduwe Vleminck, voor de prijs van 7000 Fr; 2/3 bunder, verpacht aan Jérome Brancart, voor 3025 Fr. Geen enkele boer van Heikruis heeft zwart goed gekocht.

* * *

Vanaf 23.IX.1797 werd de kerk hier gesloten bij toepassing van het besluit genomen door het uitvoerend bewind der Franse Republiek op 15.12.1792. Die maatregel werd in 1793-94 bijzonder streng toegepast in Frankrijk, maar hier was het minder streng. Na de slag van Fleurus, juni 1794, waren de Fransen hier terug baas, maar zij hadden reeds geleerd water in de wijn te doen. Doch, toen het volk hun soms wat te lastig maakte werden zij terug strenger: vanaf einde 1797 tot begin 1799 werd niet regelmatig openbare eredienst gehouden. Later hield men terug de ogen wat dicht. Op 18 brumaire jaar IX (1801) waaide bij stormweer de torenspits af en ook twee gewelven der zijbeuk beschadigd. De maire deed de kerk sluiten, maar de parochianen waren hem te slim : zij deden, vóór dat de taks werd goedgekeurd, de schade herstellen, maar, schrijft maire Bosteels op 14 pluviose, jaar X (1802), er is nog een kapel, die aan een particulier toebehoort (heer J. Huysman, heer van Te Rijst) : « Cette chapelle a été masquée par la forme d'une cheminée qu'on y a tire et c’est dans ce sombre refuge que la crédulité et l'aveuglement vont se consoler de puérilités soporeuses. »

Het sluitingsbesluit geldt hier werkelijk vanaf einde 1797. De 21 september 1797 werd Anna de Schepper in de kerk gedoopt, maar achteraan staat genoteerd: "Omnes functiones cessaverunt in ecclesia propter juramentum.", d.w.z. : “Alle openlijke uitoefening van de godsdienst hield op in de kerk wegens weigering van de gevraagde eed.”

De 27 september 1797 werd, Frederik De Ryck zonder ceremoniën gedoopt "wegens het Frans Edikt". De ceremoniën werden achteraf thuis bijgevoegd, ofwel als er geen gevaar dreigde, in de kerk zoals op 29 januari l798 vermeld staat voor Bernardina van de Perre. Daarna staat er nog wel eens "solemneel doopsel en ceremoniën" maar of dit alles in de kerk gebeurde staat er niet uitdrukkelijk bijgevoegd. Gedurende de Besloten Tijd zijn de akten soms ondertekend : A.B. (Albertus Bouvet, beneficiant van Te Rijst, geb, Lettelingen en overleden te Heikruis 11. 11.1804), ofwel : pastoor loci. Op 29 maart 1798 tekent de pastoor J. Langendries, eens voluit (hij was hier pastoor van 1789 tot 1830). Hij moest zich gedurende de Franse Tijd voorzichtig houden, en zich meer dan eens verstreken: hij had de eed van "haat aan het koningdom, aan de burgerlijke inrichting der geestelijkheid” geweigerd en stond op de lijst om gedeporteerd te worden.

Op 23 september werd Güliam van der Stocken door burgers begraven; daarna doet het de koster tot 9 oktober 1798.

De begrafenissen van 1796 zijn niet regelmatig ingeschreven geweest; na die van 1798 worden er nog drie, van maart, november en december 1796, bijgeschreven. Van 9.10.1798 tot 11.11.1799 zijn er geen vermeld : het is niet waarschijnlijk dat er geen geweest zijn, maar einde oktober 1798 was er gevecht of slag te Edingen en Herne. Er was, dus ook beroering bij onze mensen, zenuwachtigheid bij de Fransen gedurende weken lang. Zoals gezegd werden hier misschien gesneuvelde jongens begraven, en het was best dat ze niet opgeschreven werden : men zou de familie en vrienden kunnen compromitteren. Als het kwalijk ging, dan moesten de geestelijken ook voorzichtig zijn en zich schuil houden. De pastoor hier zeker, vermits hij verdacht was en al schriftelijk aangeklaagd wegens aanstoken tot verzet.

Het Concordaat van 1802 tussen Napoleon en Paus Pius VII had hier wel wat bedaring gebracht : de kerken waren terug geopend, de openbare eredienst was hersteld. Napoleon zorgde voor heropleving van nijverheid en handel; door wetten had hij het bestuur op meer moderne en meer aangepaste manier ingericht. Maar de belastingen bleven drukken, met opeisingen kwam geen einde: altijd maar bedreiging met bezetting van hoeven met soldaten “garnissaires. Een staaltje van 1809 werd nog teruggevonden op het Gemeentehuis te Heikruis: men moest gaan leveren in het legermagazijn te Mechelen. Als men er aan denkt langs welke wegen dat moest gebeuren, dan kan het als geen gewoon corveetje aanzien worden. Een oorzaak weerhield van opstand: de Keizer overwon maar immers en was oppermachtig.

Edoch, het Keizerrijk was te uitgestrekt : geheel het vasteland, tot aan de grenzen van Rusland en Turkije: Napoleon kreeg te veel vijanden ! In 1812 moest hij Moskou opgeven, in 1813 werd hij door de Verbondenen te Leipzig, verslagen.

Nu kwamen de Verbondenen over de Rijn en Maas. Ons volk kon van Napoleon niet houden; onze jongens werden opgeroepen voor het Franse Leger, een vreemd leger, en dan nog voor belangen welke niet de onze waren. Menige ervan lieten hun leven op de slagvelden en zo ver van huis.

Op 6 februari 1814 vestigde Generaal Borstell zich te Edingen met de voorwacht van het Pruisisch leger. De Kozakken, welke generaal Maison achterna zaten, kwamen ook in de stad; gedurende twee jaren moest Edingen aanhoudend voedsel en inkwartiering bezorgen voor allerhande troepen. De hertog van Saksen had er ook zijn hoofdkwartier. Russen, Duitsers en Engelsen kwamen er, ook Poolse en Belgische troepen, ook de huzaren van de Croÿ.

Het eerste Franse armeekorps lag, te Tubeke: op 3 februari 1814 kreeg de maire aanzeg, en levering moest ‘s anderendaags tegen 1 ure gedaan zijn, dat men te Tubeke uit de hoeven van Heikruis moest aanvoeren: 106 bussels hooi, 82 rantsoenen haver, twee runderen van samen 1000 pond en elk tenminste 400 pond zwaar. Buitendien nog 1000 rantsoenen brood. De bevelvoerende generaal Baron Oblet dreigt de meire met gevangenzetting, indien de boeren met “garnissaires" en desnoods met plundering, indien alles niet netjes op tijd te Tubeke is aangekomen. De meire Philippe de Poederlee van Saintes waarschuwt die van Heikruis dat hijzelf in volle nacht moeten zorgen heeft voor onmiddellijke levering van hooi. Op 16 februari moesten weeral 60 hl haver te Brussel geleverd worden; de 31 maart: 600, pond hooi, 400 pond strooi, 1500 pond tarwe, 500 pond koren. Tegen 4 april moesten 4800 pond hooi, 3000 pond strooi en 30 hl haver geleverd worden.

De strijd van ons volk voor zijn bevrijding moest losbreken : de Belgen sloten aan bij de bevechters van Napoleon. De Hollanders riepen Willem van Oranje terug de zoon van de vroegere stadshouder (1813).

Napoleon moest afstand doen van de troon te Fontainebleau. Op het Wener Congres (1814-15) werden de oude monarchieën hersteld om het Europees evenwicht tot stand te brengen.

Maar Napoleon kwam terug, uit Elba en schaarde zijn oude troepen terug onder zijn standaard. Te Waterloo echter werd op 18 juni 1815 de Keizer gans verslagen.

Het Congres van Wenen verenigde onze provinciën met Nederland. Koning Willem I trad echter te willekeurig en eigenmachtig op en zo kwam de Belgische Omwenteling van l830, waardoor we onze onafhankelijkheid verwierven.

De mensen welke de laatste twee oorlogen en bezettingen hier gekend hebben, zullen al het voorgaande wel begrijpen. De wereld en de mensen veranderen zo weinig en met oorlogstijd is het gewoonlijk hetzelfde.

Terug naar menu