HOE HEIKRUIS, LEEN VAN EDINGEN, STILAAN GROEIDE.

Oud-Edingen, of Lettelingen was de oorspronkelijke heerlijkheidzetel en wordt vermeld in 956. Het kasteel van Edingen werd door Heer Hugo gebouwd in 1167. Edingen was toen maar een schamel dorpje : zijn bidplaats hing af van het altaar van Hoven. Het werd achteraf Enghien-le-Château genoemd omdat het zijn uitbreiding aan het Kasteel te danken had. In 1434 was de lengte der stadsgrenzen 397 roeden. Het plan van Edingen, begin der XVIIe eeuw, geeft als oppervlakte der stad: 20 bunder en 6 roeden. Van Hoves en Lettelingen werden later gedeelten afgestaan, welke nu deel uitmaken van het stadsgebied. In 1255 kwam een deel van Hoves bij Edingen door gift van Jan I van Avesnes. In 1876-77 werd een deel van Lettelingen bij Edingen gevoegd. De oppervlakte van het huidige stadsgebied is 63 ha 56 a 12 ca, waarvan het park 5 ha 11 a 66 ca beslaat.

“Hadonis crucem”, “Hadecruce”, wordt vermeld in 1024, Hayecruys (XV-XVIIe eeuw), nu Heikruis = Haitecroix, nu Haute-Croix, met betekenis: Kruis van Hade, zoals hierboven uitgelegd. Hado schijnt een "villicus" geweest te zijn van de Heren van Edingen; zijn villa te Heikruis-Lettelingen, een landbouwbedrijf, wel eerst en vooral, maar waarschijnlijk ook aan de grens van Lettelingen. De heer behield wouden en weiden voor zijn jacht en een deel der akkers voor zijn onderhoud. Wellicht had de heer zeer vroeg een jachthuis, dat ook ter verdediging kon dienen op de Kluis in het Strijdhout of Bois de Strihoux.

De nakomelingen van de eerste “villici” zullen, gelijk al de andere, getracht hebben van hun macht uit te breiden, om mettertijd leenmannen te worden en zelf ook nog landgoederen en heerlijkheden aan te werven, verder met hun militaire- en rechtsmacht uit te breiden. Door begiftigingen van kerken en kloosters groeide eveneens hun gezag en hun invloed. Maat trots alles bleef het traditie bij de heren van Te Rijst trouw en verknocht te blijven aan hun heer van Edingen. Er waren buiten de “villicus”, later heer van Te Rijst, ook nog kleinere villici-heren en later ook minstens een cijnspachter (Tasseniere) op Heikruis.

Laat ons de rij der Heren van Edingen eens nagaan, want dikwijls werden in hun geschiedenis, de leenmannen van Te Rijst-Heikruis er bij betrokken.

Engelbert I wordt vermeld in een charter van 1092 aangaande St-Pie¬tersaltaar in de kerk van Soignies. Hij is de eerste heer van Edingen die met zekerheid gekend is.

Hugo, vermeld in een charter van 1112, deed verhef voor Edingen in 1139 bij Godfried met de Baard, hertog van Brabant. Kort tevoren was Edingen bij het graafschap Henegouwen gevoegd . Hij doet dan ook verhef bij Boudewijn van Henegouwen. Maar twee jaar later gaat hij ook verhef doen bij Godfried III van Brabant. Er zou strijd komen : de troepen van Godfried III hadden het Kasteel van Edingen bezet om Hugo bij te staan. Zij stroopten op de omliggende dorpen van Henegouwen. Boudewijn, graaf van Henegouwen belegert het kasteel. Godfried kan niet blijven helpen en Hugo moet een voor hem nog al bitter akkoord sluiten. Ook het “Speelhuis” dat Hugo had in het bos van Strihoux, nabij de weiden, vroeger vijvers genaamd “Auwe Viueys” (“Auwe Riseys”, nu nog Hauwerijst) moet afgebroken worden . Colins getuigt dat men de puinen ervan nog kon zien te zijner tijd. Zij zijn er nog, maar intussen wel terug opgebouwd. Zo een onschuldig "Speelhuis" was het wel niet. Het stond op de top van een driehoekige hoogvlakte uitgaande van Lettelingen, het Strijdhouthuis in. De tip was afgesneden en omringd met een wal die nu nog 4 a 5 meter breed is. Hij bedroeg een oppervlakte van één dagwand (± 20 a). Aan de noordkant is er een houten brug geweest. Boven op de motte is er nu nog een ingevallen kelder van 3 à 4 m. Buitendien voelt men in de grond nog fundeersel van muren. Wellicht was maar alleen van onder het gebouw in steen opgetrokken : zo werd het in dien tijd meestal gedaan en anders zou er wat meer puin liggen. Links vandaar uit, op Lettelingen is de "Steencup" op één kilometer afstand. Bouwmateriaal was dus niet ver te zoeken. en hout had men genoeg in het bos. De "motte" is 7 meter hoog boven de wal. Het "Speelhuis", nu Kluis-Ermitage genaamd, ligt, als men van het Dievenhuis de Catuladreef ingaat, naar de Zagerij toe, 100 meter ver in de derde dreef die er op uitgeeft, in de nabijheid van de schuilhutten van de boswachters. De Haerebeek spijsde vroeger de wal en de vijvers er om. Het overblijfsel van bos en de plaats waarover het zich vroeger uitstrekte naar het hof Nanove toe, noemt men Kattenbos (Kat = schans, borstweer), en er zijn sporen van schansen in de streek. Het "Speelhuis" zal grotendeels een vooruitgeschoven versterkte post geweest zijn, en daarom wel eiste de graaf van Henegouwen bij het akkoord van 1169 dat men hem zou afbreken.

Maar werd Strihoux niet terug opgebouwd en later nog eens verwoest vóór1634, om dat weer eens als puin te worden beschreven in het verband van Colins? Want Engelbert II spreekt in 1234 van zijn "Huis in Strihoux" en in 1434 wordt een Jehan de Strihoux vermeld. Als het huis maar een puin was, en niet een kasteeltje waar Jehan wat te zeggen had, waarom er dan een titel aan verbinden? Is Nanove niet blijven bestaan om het huis van Strihoux te blijven bevoorraden?

De nakomelingen of opvolgers van Hado woonden op de andere, de Westhoek van het bos, bij de postweg en de Romeinse baan. Maar was het nog de eerste villa waar zij gehuisvest waren? Het is zo goed dat zij intussen een kasteel hadden gebouwd. Immers, in 1226 schenkt Egericus, heer van Risoir, aan de abdij van Cantimpret-Bellingen het huis van Risoy (de oude villa), met 40 maten (gemet) bos, nabij het Raspaillebos . Zou Egericus niet omtrent tegelijkertijd als Engelbert II, die in 1234 spreekt in een akte, verleden in zijn "huis van Strihoux", zijn kasteel gebouwd hebben aan de Kastanjedreef, tussen de Schapenvijver en de Haerebeek, toen deze Strihoux herstelde ? In 1326 had dit eerste kasteel een kapel en in 1466, toen Jehan de Risou het verkocht aan de Vander Noot’s was het al bij zover onbewoonbaar dat er nieuw gebouwd werd op de plaats waar nu nog het kasteel staat. Het huidige kasteel is een modernisering en gedeeltelijke ombouw van dat der van der Noot's. Van het eerste kasteel bestaat nog de ijskelder en wat grondvesten.

Engelbert II doet in 1191 ook nog eens verhef bij Hendrik IV van Brabant. Boudewijn van Henegouwen verklaart hem dan ook de oorlog. Beide hoge heren, die van Brabant zowel als die van Henegouwen, zijn op dat ogenblik niet bij machte om door te drijven en men treft een vergelijking : Engelbert II zal geen van beiden openlijk als leenheer erkennen, maar korts daarop keert hij zich nog eens tegen de graaf van Henegouwen. Hendrik IV van Brabant had elders de handen vol en kon Engelbert niet genoeg helpen. De heer van Edingen moest zijn versterkt kasteel overgeven en het laten afbreken. Hij verloor er de moed op en liet een klein kasteel bouwen te Wanaken-Bellingen, om er zich te vestigen.

In 1197 evenwel is hij verzoend met zijn heer van Henegouwen en hij kon zijn kasteel herstellen in Edingen in 1227. Zoals wij het hoger aanwezen, was dat de tijd dat de heer van Te Rijst zijn kasteel opbouwde en zou Engelbert II niet het kleine Strihoux opgebouwd hebben om zijn aanwezigheid terug te Edingen te betonen, en in afwachting dat de veel grotere werken van den opbouw van het grote kasteel te Edingen verder gevorderd waren ?

In 1245 verhief Zeger I, zoon van Engelbert II, alleen van de graaf van Henegouwen.

Na Zeger I komen Walter I, II en III. Onder hun regering komt niets merkwaardigs voor in betrekking met Heikruis of Klein Waals Brabant. Alleen dat Zeger I (+ 1261) op 2 mei 1256 had erkend als leen te houden van de hertog van Brabant Ronquières, een deel van Henripont, Tubeke, Henuyères, Itter, Roosbeek, Beert, Bogaarden en Leerboek.

Om recht te plegen voor zaken die klein Waals Brabant-Land van Edingen betroffen, was er in het kasteelpark een motte, of kunstmatige verhevenheid die gerekend werd als "Land van Brabant". Later werd ook als dusdanig aanzien een zaal in het kasteel zelf. Die plaats diende er niet meer tot rechtspleging in de XVIIe eeuw : het was de lijnwaadkamer geworden.

In 1361 koopt Zeger II van Maria van Brakel de heerlijkheid van Bassilly, door tussenkomst van Gillis van Rysout, om ze bij de domeinen van Edingen te voegen.

Na Zeger II en Walter IV (+ 1381) worden de omen van deze laatste erfgenamen. Het waren : Louis van Edingen, de Conversaan en Engelbert van Edingen. De baljuw van Waals Brabant en van de leenmannen te Genappe wees op 28 december 1383 toe aan Engelbert, als goederen in Brabant behorende aan de heren van Edingen: Tubeke, Beert, Beringen, Leerbeek. Aan Louis de Conversaan: Roosbeek, Hennuyères en Ronquières. Zij vestigden hun Feodaal Hof te Roosbeek.

Marguerite, dochter van Louis de Conversaan, huwt Jan van Luxemburg, die aldus heer wordt van Edingen. Hun zoen Pierre van Luxemburg, heer van Edingen in 1397 (+ 1433) werd Ridder van het Gulden Vlies in 1431. Daarna komt Louis van Luxemburg (1418 - 1475).

Zijn zoon Pierre II moest, wegens schulden, in 1481 Ronquières, Hennuyères en Roosbeek, delen van Klein Waals Brabant, verpanden aan de stad Edingen. Pierre II verleende voordelen aan Karel van der Noot, heer van Te Rijst.

De heren van Te Rijst hadden gewone en gemiddelde rechtsmacht over hun domein, deel van Heikruis. Karel van der Noot jr. liet rond 1480 het nieuwe kasteel bouwen, bracht de vijvers en molens (ook een watermolen?) in orde, legde wijngaarden aan. Ten aanzien van de zorg die hij aan het goed besteedde, want hij had het nogal vervallen afgekocht van de oude heren (eerste heren) van Rijshout, kreeg hij vanaf 1482 volle hogere macht (rechtsmacht) vanwege zijn leenheer, Pierre II van Luxemburg, graaf van St-Pol, heer van Edingen. De Schandpaal, teken van rechtsmacht, stond tot in 1920 nevens de oude kerk. Een stuk ervan ligt nu aan de hoek van de electriciteitscabiene op de plaats te Heikruis, een ander, groter, aan de kapel van St-Job. Nabij het Kassteel van Te Rijst ligt een "Papegalgeveld" tussen de huidige woonst Vastesaeger en de Romeinse baan. Het "Dievenhuis" is gelegen bij de Heydeweg aan de Rodebeukdreef.

Met het verkopen van landelijke domeinen in de loop der XVIIe eeuw, is de rechtsmacht vervallen geraakt. Zo, vanaf de Jan, Herman Völler, welke na de van der Noot’s heer werd van Te Rijst, bleef er niets meer over dan politiemacht over hun domein. .

Françoise van Luxemburg x Philip van Ravestein en Cleef, dochter Pierre II volgde op.

Maria, haar zuster, kwam daarna; zij huwde eerst Jaques de Saveie en daarna François de Bourbon. Zij regeerde van 1526 tot 1547. François de Bourbon (+ 1546) had zijn moeder reeds tijdens haar leven opgevolgd. Na hem kwamen Jean de Bourbon (+ 1557) en Antoine de Bourbon, zijn broeder (1562), en daarna de zoon van deze Henri IV, tevens koning van Navarre in 1572, daarna koning van Frankrijk vanaf 1589, maar eerst algemeen erkend in 1593 toen zij die protestant geworden was terug katholiek werd.

Henri IV wou Edingen verkopen aan Lamoraal, graaf van Egmont, maar het mislukte omdat Philips II het hem niet gunde. Egmont was ook erfpachter van Ninove; Philips II wou er hem geen eigenaar laten van worden: hij verhoogde alleen zijn erfpacht. Met de eigendom van Ninove zou Egmont achteraf Edingen hebben willen kopen. Henri IV verkocht volop in onze streek: in 1601 werd Beert, met een leen van 36 bunder, afgescheiden van Edingen. Het dorp was verkocht aan Jean de Landas.

Voordat Henri IV terug katholiek werd, was er met enkele van der Noot's ook wat gebeurd. Een verre neef van de heer van Te Rijst, Jan van der Noot, pluim- en watergraaf, ook warrantmeester (een soort opperjachtmeester) van Philips II, had zijn ambt moeten neerleggen en overlaten aan zijn broer Anthonius, omdat hijzelf openlijk partij gekozen had voor Willem van Oranje. In 1567 vluchtte hij naar Holland, en Karel van der Noot, heer van Te Rijst, vluchtte mee. De pastoor van Heikruis, in een brief aan de bisschop van Kamerijk, betreffende de Kapelanie van O.L.V. schrijft dat Karel ook protestant geworden was. Zijn goederen, waaronder Te Rijst, werden aangeslagen, en in 1609 verheft Antonio Suarez d'Arguille de heerlijkheid als erfpachter. Achteraf werd de verbeurdverklaring opgeven, want in 1612 wordt verhef gedaan door Nicolaas de Maseneer in naam van Maurits van der Noot, zoon van Lamoraal van der Noot. De familie van der Noot bleef verhef doen totdat Lucretia van der Noot x Walraet van Steenhuize Te Rijst uitwisselt met heer Völler.

De erfgenamen van der Noot waren terug in bezit gekomen van Te Rijst in 1612 reeds, maar steviger nog door Vredesverdrag van Munster (1648), gesloten tussen Spanje en Holland. Evenwel vond Lucretia van der Noot x Walraat van Steenhuize best van Te Rijst uit te wisselen tegen een domein gelegen in Gelderland in de omgeving van Nijmegen en toebehorend aan heer Jan, Herman Völler, welke dan ook door die ruil heer werd van Te Rijst. De van der Noot’s van Te Rijst waren Calvinist geworden en bleven het; heer Völler was Rooms Katholiek.

J. H. Vïller, ridder, raadsheer, en staatssecretaris voor Duits¬land, was geboren te Brussel op 26 november 1630. Hij woonde aldaar wegens zijn ambt aan het hof (Zie verder de lijst na der heren van Te Rijst.).

In 1607 werd Edingen, uitgenomen de "Ferme de Court" te Roosbeek, met nog 20 bunder, reeds afgestaan aan Jean de Landas, eigendom van de familie van Arenberg.

De FAMILIE VAN ARENBERG was volstrekt katholiek. Zij was verwant met de Luxembourg's, vroegere heren van Edingen. Jaqueline, zuster van Pierre II van Luxemburg, had Philippe de Croÿ gehuwd. Een van hun afstammelingen Anne de Croÿ, huwde Charles, graaf van Arenberg. Deze kocht de heerlijkheid van Edingen aan in 1607. De Luxembourg’s hadden Edingen bekomen door het huwelijk van Marguerite, dochter van Louis van Edingen, graaf de Conversaan, met Jan van Luxemburg. Het derde huis van Edingen, de Arenberg's, sloten alzo door de Luxembourg's ook nog aan bij het eerste huis van Edingen.

De heerlijkheid van Edingen, welke overging aan Karel van Arenberg, omvatte : het Kasteel en het Park van Edingen, Lettelingen en de Pöestij (“potestas”) van Herne met de dorpen Tollembeek, St-Pieters-Waarde (St-Pieters-Kapelle), Mark, Hoves, de Pöestij van Kester, de dorpen Heikruis, Pepingen, Bellingen, Vollezele, Bassily, Ghoy en bijhorigheden.

Zijn zoon Philip van Arenberg, deed verhef van Edingen bij het leenhof van Henegouwen in 1638.

Over de Arenberg's kan nog aangestipt worden dat Voltaire in 1736 de gast was van Leopold van Arenberg.

In 1789 trekt Engelbert.van Arenberg partij tegen Jozef II, maar hij trok zich terug in 1790, omdat er onenigheid was tussen Vonck en van der Noot, leiders der Patriotten.

In 1794 werden de goederen der Arenberg's onder sekwester geplaatst door de Franse Republiek. In 1801 werden zij onteigend. In 1803 kregen zij ten dele hunne goederen terug in België, maar niet meer hun heerlijkheidrechten; die bleven verloren.
Verder zullen wij nog de terugslag nazien van deze historische feiten der XVIIIe eeuw voor Heikruis.

* * *

Na de beroerten der XVIe eeuw en de afscheiding der Noordelijke Provinciën, kregen de Aartshertogen Albrecht en Isabella het bewind in de Nederlanden (1598-1621). Zij slaagden er niet in de Noordelijke Provinciën te heroveren, maar hun regering was er nochtans een van herstel. Gedurende de XVIIe eeuw nochtans was ellende in België haast algemeen : het land was ontvolkt en verwoest; het stond bloot aan nieuwe militaire invallen en oorlogsschattingen.

Te Heikruis lagen vele hoeven verwoest en beschadigd (ook het "Speelhuis van Stihoux”?). Begin der XVIIIe eeuw lagen nog Te Roetaert en Te Tessenière in puin. Boutebrugge kreeg gedurende gans de XVIIe en begin der XVIIIe eeuw afslag op de pachtprijs wegens oorlogsschade. Op Te Roetaert werd in 1789, in plaats van het oude hof, het Meyerhof gebouwd. Tassenière werd in 1737 en 1755 reeds terug opgericht. Het hof Paridaens (Hofmans) in de Bosstraat, is van 1756.

In de kerk van Heikruis schijnt men te lijden gehad te hebben van de beeldstormers. In de kerk van Herne werd o.a. nogal hevig huisgehouden. Hier zijn er van vóór die tijd maar vier kandelaars in eerste Renaissance overgebleven. In het parochiearchief zijn er geen stukken voorhanden van vóór 1600. Gedurende de eerste helft van de XVIIIe eeuw vergrootte men de oude kerk. De bemeubeling moest ook gebeuren. Van hetgeen uit die kerk in die van 1868 werd overgebracht, bestond vóór de brand van 1930 niets van voor de beeldenstormerij. Na 1690 moest de kapel van Terlinden ook nog herbouwd worden.

* * *

De regent Albrecht was kinderloos gestorven. Na de dood van zijne gemalin Isabella keerden de Nederlanden terug onder het onmiddellijke gezag van Philip IV.

De Spaanse koningen moesten ons land verdedigen tegen de Verenigde Provinciën, die hun onafhankelijkheid door de wapens willen bevestigen. Ook tegen Frankrijk, dat zich tot aan de zijn natuurlijke noordelijke grens, de Rijn, wilde uitbreiden. Met het verdrag van Munster in 1648 werd ons land te Noorden verkleind ten bate van de Verenigde Provinciën. Nu zou de strijd voor de verovering van onze Zuidelijke Provinciën beginnen.

Kardinaal Richelieu, raadgever van Louis XIII, en Kardinaal Mazarin, raadgever van Louis XIV, stookten om aan Frankrijk terug de oude grenzen van Gallië te bezorgen. Een ganse reeks oorlogen in onze streken was er het gevolg van :

1)de oorlog met Spanje, voor het bezit van Artesië. Hij eindigde met het Verdrag der Pyreneeze, zonder dat er in onze streek aanmerkelijke weerslag van gevoeld werd.

2) De infante M Theresia, dochter van Philip IV van Spanje, trouwde met haar neef, Louis XIV zij kreeg als bruidschat 500.000 kronen, maar zou afzien van haar rechten op de Spaanse troon. Bij de dood van Philips IV, in 1665, eiste Louis XIV de Spaanse erfenis op in naam van zijne vrouw, wier bruidschat nog niet uitbetaald was. Om de "rechten der koningen" te verdedigen tegen de jonge Karel II, zoon uit het tweede huwelijk van Philip IV, riep de Franse Koning allerlei gewestelijke gebruiken in, e.a, het "devolutierecht". Door dit gebruik, dat in enige gedeelten van Brabant bestond, werden de kinderen uit een tweede huwelijk van de vader uitgesloten voor het erfdeel Louis XIV maakte hiervan gebruik om de rechten van Karel II te betwisten. Tuenne bezette Vlaanderen zonder moeite, en markies Rodrige, gouverneur der Nederlanden, moest zich voor de vijand terugtrekken. Louis XIV legde de vijandelijkeden stil toen de Verenigde Provinciën, onder de druk van de onmiddelijke nabijheid der Franse troepen, een verbond sloten met Engeland en Zweden. Dat verbond werd "Triple Alliance" genaamd. Het verdrag van Aken (1668) liet de koning in het bezit van de Frans Vlaanderen en vooruitgeschoven plaatsen, zoals Kortijk, Doornik, Oudenaarde, Ath en Charleroi, waardoor voor hem de weg naar de Nederlanen werd opengehouden, indien de Vijandelijkheden moesten herbeginnen.

3) Om weerwraak te nemen wegens het aangaan der Triple Aliance, trok het Franse leger bij Nijmegen over de Rijn. De Staten langsheen de Rijnhoevers, het Keizerrijk, Brandenburg en later ook Spanje verenigden hun krachten om hun bezittingen op de linkeroever te verdedigen. Willem III bracht de strijd over naar de Nederlenden, Condé overwon te Seneffe (1674) en de Stadhouder moesten terug . Frankrijk alleen wist voordell te trekken uit het verdrag van Nijmegen (1676) het kreeg de Franche-Comité, het huidige Frans Henegouwen, Aire en Omer, Ieper, Delle en Kassel.

4)Willem van Oranje werd in 1689 koning van Engeland; hij was de bezieler van het Verbond van Augsburg, dat Frankrijk trachte te omsingelen.Nochtans werden de Franse veldtochten verder een succesvolle voortzetting van Louis XIV. De Maarschalk van Luxemburg behaalde de zegen bij Fleurus (1690). De inneming van Namen door Vauban (1692), de nieuwe overwinningen van Luxemburg bij Steenkerke (1692) en Neerwinden, de noodlottige beschieting van Brussel (1695): dit alles scheen er op te wijzen dat Karel II der Nederlanden zou verliezen. De dood van Karel II had als wellicht niet voorzien, met als gevolg dat Louis XIV van zijn pas bekomen voordelen zou afzien, met de hoop de ganse erfenis van deze koning in handen te krijgen. Hij ondertekende dan het Verdrag van Rijkswijk (1697).

Met de slag van Fleurus waren de Fransen er bovenop geraakt in 1690. Zoals daar even vermeld waren zij te Mons in 1691. Vauban had Namen in 1692. De Graaf van Luxemburg hield Willem III tegen aan de Méhaigne met zijn 80.000 man, maar van hunne kant verrasten de geallieerden van Willem III, de Luxemburg te Steenkerke op 3 oogst 1692.

De geallieerden lagen vóór Halle en Lembeek en rukten op langs het bos van Strihoux. De Fransen lagen van aan de Zenne over Hoves tot aan Herne. Heikruis lag dus volop aan het slagveld. De strijd laaide op tussen Wisbecq en Roosbeek. Op de windmolens van Te Rijst ( nu de moderne molens Simons) had men een uitzichtpost opgericht. Bij en in het bos van Strihoux werd fel gevochten. De geallieerden werden verslagen en keerden terug langs Quenast en Wisbecq. Er bleven 7000 geallieerden en 3500 Franse soldaten op het slagveld. Twee dagen later was er haast terug slag met een geallieerd bevoorradingstrasport. Een Franse patrouille verraste het konvooi te Heikruis, maar zij was te zwak om de strijd op te nemen en trok voorzichtig terug.

5) Krachtens het testament van Karel II, die kinderloos gestorven was, ging gans zijn rijk aan zijn achterneef, Phillip d'Anjou (Phillip V Spanje). Deze nu was een kleinzoon van Louis XIV en op die manier was er gevaar dat Frankrijk met het Spaanse Rijk één zou worden. Toen kwamen naar de Nedelanden de legers van Engeland, van het Keizerrijk en van de Cerenigde Provincie samen door de GROTE ALLIANCE verbonden (1701). Frankrijk werd op de vlakten van ons land verslagen: te Ramillies 1706, te Oudenaarde 1708 en te Malplaquet 1709. De Fransen trokken hunne legers terug achter de vestingen die Vauban aan de Noordergrens van Frankrijk had gebouwd.

Door het verdrag van Utrecht (1713) gingen de Nederlanden over van de Spaanse tot de Oostenrijkse tak der Habsburgers. Gedurende de XVII eeuw was ons land het slagveld geweest van Europa. Het werd door legers van huurlingen, die noch mensen, noch eigendommen spaarden verwoest. De Spanjaarden, die ons eigenlijk moesten verdedigen, hadden veelal van plunderingen geleefd. De Fransen van hunne kant, gebruikten stelselmatig brandstichterij als middel om oorlogsschattingen af te persen.

* * *

Laat ons nu nagaan welke weerslag deze oorlogen te Heikruis hebben gehad:

20 januari 1666 is hier overleden een Franscose-Eveneens in 1666 den 17 september is overleden Bemaert Gaslemie, soldaat, hij is gestorven in de schuur van Jan Baslaver. Het gaat hier wellicht om een paar achterblijvers, vaandelvluchtige zwervers.

Onder de 2de oorlog van Louis XIV (1667-1668):" 1668,1 juni, den zelven daghe is deurschoten van de francisen, peeter van der Elst". In 1667 was er op het kerkhof van Pepingen een hevig gevecht, waarbij vele Fransen het leven verloren.

Onder de derde oorlog van Louis XIV (1672-1678): "13 september, 1677, gedoopt te Bellingen Loanna van der Elst, filia Guilam omdat we moesten loopen van leger"- 28 juli 1678: Anna Steenacker is later gedoopt, wegens de looping van de legers"

Van 1673 tot 1690, en later nog in 1708, moest Cornelis Seghers, pachter van Boutebrugge vermindering vragen van pachtgeld omwille van schade door de legers veroorzaakt. Het hof Te Roetaert lag in 1706 in puin. Het cijnshof Te Tasseniere werd in 1714 verkocht aan J.B. Spruyt, Heer van Puttenberg-Waver op Pepingen. Het hof werd herbouwd in 1737 en verder in 1755. De eigenaars,douairiere Massiet en Tabaeda stonden er toen financieel niet best voor en konden verval en schade sinds geruime tijd niet meer herstellen.

Met de zedelijkheid ging het toen ook niet te best, zoals het gewoonte is in en na oorlogstijd. De pastoor treedt kordaat op tegen de verwildering: hij houdt er aan, zelfs als grote boeren in fout waren, dat de schuldige vaders met naam en toenaam in de dorpsregisters vermeld worden. De koster komt er zelfs met een veninige nota tussen als men zo een fout wil verdonkermanen.

Er bleven hier ook vreemde soldaten wonen, die met de legers in het land waren gekomen. Zo staat vermeld in 1721 als vader: Jozef Danenboom (Tannebaum), uit Slachweert in Bohemen. Hij woonde eerst op Plutsinge, later in het huis Paridaens, achter de kerk. Verder worden nog Francois de Ranier van tegen Douai, Strim van Waldeck,  Ess uit Deinstadt enz, als peter opgegeven

* * *

BESMETTELIJKE ZIEKTEN worden ook vermeld, buiten de pestperiode "van 1668-69. (In Edingen heerst pest van 1667 tot 1670)

Den 21 februari 1634 stierf Marie van de Burcht van de haestige ziekte (typhus of paratyphus)

Den 8 februari 1637 is overleden Jeanne Aelbooma van de salighe siekte en tussen 30 september en 2 oktober van dat zelfde jaar is overleden Gillis Sergants met noch 6 van zijn kinderen

Met de tweede epidemie overleed de eerste aan de pest, op 20 oogst, Jeanne de Quicgt. Gedurende dat jaar waren 16 dodelijke gevallen. Van 1 januari tot 19 december 1669 (laatste geval Laureis Ost) waren er 41 mensen aan de pest gestorven : daaronder Ghislain Uutenhove en zijn 5 kinderen, Catelijn Neels en haar drie kinderen, Gillis Sergeant en 4 kinderen, Gilles Vellemans en 2 kinderen. Op 2 oktober viel Philip Cuvelier, als koster als slachtoffer. In 1668 waren 32 overlijdens, waarvan de helft aan de pest in 1669: 51 overlijdend waarvan 41 aan de pest. Op wat meer dan een jaar waren er 57 gevallen van pest met dodelijke afloop. De bevolking zal toen zeker de 400 niet bereikt hebben.

De Ziekenhuisstraat wijst er op dat toen een pesthuis werd gebouwd. In dien tijd maakte men er niet meer van daar een lemen hut, na het ophouden van de besmetting, nog wel een tijdje bleef staan,maar toen het gevaar verdwenen was werd afgebrand.

In een stuk der par archief van Bogaarden staat (1748) : Sieckhuysvelt, parochie eyercruys merende aan de erve del capeilrye van Risoir. Het ziekenhuis zal dus omtrent gestaan hebben achter de hof van het kapelaanhuis (huidig postbureel)

* * *

Nadat wij vanuit Madrid waren bestuurd geweest, werden wij vanaf 1714 vanuit Wenen geregeerd. De vrede, slechts onderbroken van 1744 tot 1748, was de grootste weldaad van het Oostenrijks bewind. Doch de Oostenrijkse vorsten stelden maar belang in ons land voor zoveel de belangen van hun Huis in het gedrang kwamen. Wij hingen nu af van Wenen in plaats van Madrid, verder was er voor ons niet veel veranderd.

Bij de dood van Keizer Karel VI brak een nieuwe successieoorlog uit. Ons land zou terug het toneel worden. Frankrijk, volgens aloude gewoonte, viel de Nederlanden binnen. Maarschalk Maurits van Saksen, generaal Louis XV, versloeg de bondgenoten van Maria-Theresia, de Engelsen te Fontenoy (1745) de Franse koning trok voor de eerste maal binnen Brussel als overwinnaar. Door de Franse overwinning bij Rocour (1746) en Laeffelt (1747) werd geheel ons grondgebied veroverd. Frederik II van Pruisen van zijn kant deed eveneens vorderingen ten nadele van de Oostenrijkers. Om het Pruisisch gevaar, dat hemzelf eens zou kunnen gaan bedreigen, te verminderen, stond Louis XV, bij het Verdrag van Arken (1748) de Nederlanden terug af aan Maria-Theresia.

* * *

In 1746, bij het afsluiten der Rekeningen van de Kerk van Heikruis, werden 240 gulden meegegeven aan de meier en schepenen, om ze in hunne hoeven weg, te stoppen wegens de troebele tijd.

* * *

De oorlogen, armoede en ellende, hebben achteraf dikwijls nog een nasleep van ziekten en besmetting. Aan de hoek van de Mortaigne en Neerstraat, staat een kapelletje van St-Job, patroon tegen besmettelijke ziekten, zweren, enz. Het opschrift luidt : "S JOP.1781". Het oude beeld van St-Job werd onder pastoor Verstrepen vervangen door het huidige cementen beeld. Uit dank voor een gelukkig ontkomen aan een verkeersongeval, werd door de toenmalige huurder van het Kasteel Te Rijst, het kapelletje herbouwd. Een steen werd ingemetst met volgende tekst : " Deze kapel werd herbouwd door Jules Deannoy Rossier 1927.

* * *

Van 1744, tot 1780 bestuurde Karel van Lorreinen ons land namens Maria-Theresia. Zijne regering getuigt van helder inzien en wijs beleid. Het bestuur werd verbeterd en meer gecentraliseerd; nijverheid en handel werden beschermd en aangemoedigd; grote onbebouwde gebieden in landerijen herschapen. Het onderwijs werd verbeterd.

Jozef II (1780-1790), opvolger van Maria-Theresia, paste op de Nederlanden een politiek van gelijkschakeling toe, zonder enige maat, en zonder rekening te houden met de privilegiën en gebruiken. Omdat hij de geestelijkheid aan de staat wilde onderwerpen, riep hij van kerkelijke zijde de weerstand in het leven. Met de vroegere wetgeving te willen vervangen door een bestuurlijke er rechterlijke hiërarchie, stiet hij de particularistisch aangelegde Belgen tegen de borst. Het waren deze maatregelen welke de Brabantse omwenteling deden uitbreken.

Het edict van verdraagzaamheid (1781), dat aan de hervormde vrije beoefening van hun godsdienst en toegang tot de openbare ambten verleende, zijn poging om de bisschoppen meer afhankelijk te maken van Rome, het invoeren van het Placet (toelating) om pauselijke bullen en breven te mogen publiceren, de beperking voor het aannemen van novicen in de kloosters, het huwelijk verklaren als een burgerlijk contract, de censuur voor het uitgeven van sermoenen, de telling van de kerkelijke goederen, de verplichting voor toekomstige priesters om in het Algemeen Seminarie de lessen, die onder staatstoezicht gesteld waren, te volgen, dat alles deed Keizer Jozef II de gunst van zijn volk, en wel bijzonder van de geestelijkheid, verliezen.

De Gilden werden afgeschaft, terwijl voor de parochiekermissen beperkingen werden ingevoerd.

Als wijze van protest weigerden de Staten van Brabant en Henegouwen de belasting bij stemming aan te nemen. De Keizer trok privilegiën in, o. a. de Blijde Inkomst.

Twee Brusselse advocaten organiseerden de weerstand: Vonck en Van Der Noot. Vonck neigde nogal over de ,Franse denkbeelden; Van Der Noot zou geheel terug gewild hebben tot het Oud Regiem. De opstand brak los. Onder de leiding van Kolonel Van der Meersch werden de Oostenrijkers verslagen te Turnhout (1789). De Bondsrepubliek van de Verenigde Belgische Staten werd uitgeroepen, maar zijn weerstond volstond niet aan de gevolgen der tweedracht tussen de Statisten van Van der Noot en de partijgangers van Vonck.

* * *

De broeder van advocaat J.F. Vonck (Rijsel +1.12.1792); Z. E. H. Hieronymus, Benedikt Vonck, was pastoor van O.L.V. Lombeek en deken van het district Halle. Advocaat Vonck kwam van tijd tot tijd voor enkele weken bij zijn heerbroer. Deze was nogal onder de invloed van de gedachten van de opstandleider: later was de pastoor een der drie geassermenteerde priesters van het Pajottenland.

Van medewerking met de Patriottenopstand is te Heikruis niet veel spraak geweest. De heer van Edingen, Engelbert van Arenberg, had, zoals hoger gezegd, in 1789 eerst partij getrokken tegen Jozef II, maar hij deed niet verder mee: in 1790 trok hij terug omdat er oneindigheid was tussen de leiders. Het voorbeeld van de heer van Edingen zal wel invloed gehad hebben op de gemoederen alhier.

* * *

Men hield hier niet van de “Vonckisten”. Bewijs is dat een groep Boerenkrijgers, bij de aftocht na de slag van Herne (Zaterdag 27 oktober 1798) eerst over Heikruis (er waren mannen van hier bij) naar Halle trok. Van daar uit ging een groep naar Gooik langs O.L.V. Lombeek. Deze mannen hielden lelijk huis bij pastoor Vonck.

Vanaf 23.IX.1797 werden te Heikruis, wegens verbod van openbare ceremoniën, de begrafenissen door leken gedaan. Zij werden achteraf in het parochieregister ingeschreven. Merkwaardig is het dat er geen begrafenissen opgetekend zijn tussen 19 oktober 1798 en 2 februari 1799. De slag van Herne was op 27 oktober 1798. Werden te Heikruis misschien gesneuvelde Boerenkrijgers na die slag begraven? Zocht men in de familie last te vermijden vanwege het Frans bestuur met dood en begrafenissen in de boeken te vermelden?

Als deken van het district heeft Z.E.H. Vonck zijn eerste visite te Heikruis maar gedaan op 1 juli 1805 : dus al een tijdje na het Concordaat van 1802. Deken Vonck kwam daarna nog op 26.9.1806 en op 4.12.1807; hij stierf te O.L.V. Lombeek op 27 mei 1808.

* * *

Wel had de opvolger van Jozef II (+ 20.11.1790), de keizer Leopold II, de Nederlanden, door huidige toegevingen, terug doen keren onder Oostenrijks gezag, doch het was maar voor korten tijd.

Op 6 november 1792 versloeg Generaal Dumouriez het Oostenrijkse leger nabij Jemappes : de Nederlanden zouden nu deel uitmaken van de Franse Republiek. Deze aanhechting werd door den schijn van verkiezing, onder bedreiging gehouden, goedgekeurd. De kerken werden geplunderd, ons land als wingewest behandelt.

De Oostenrijkers overwonnen op 19 maart 1793 de Fransen te Neerwinden en verjoegen hun leger uit België. Zo werden wij van het grote Schrikbewind bewaard dat in Frankrijk woedde in 1793-94: de guillotine bleef hier onbekend.

Door de overwinning van Jourdan te Fleurus (juni 1794) kwam ons land terug onder het Franse juk voor een tijdspanne van 20 jaren.

Reusachtige opvorderingen en belastingen in ons land moesten het te kort der Franse Staatskas helpen dekken. De kerkelijke goederen werden aangeslagen, genationaliseerd, en daarna verkocht. De instellingen van het Oud Regime werden voorgoed afgeschaft. Het inlijvingsdecreet van 1 november 1795 maakte alle Belgen tot Franse burgers, onderworpen aan de Franse instellingen en wetten.

Het land werd verdeeld in 9 departementen. De gemeenten werden voortaan bestuurd door een magistraat bij verkiezing aangesteld. De burgerlijke stand werd ingericht: de registers der geboorten, huwelijken en overlijden werden niet meer officieel herkend. Iedereen voortaan zou openbare ambten kunnen bekleden, gelijkheid ten opzichte van wetten en belastingen werd ingevoerd, de administratieve en rechterlijke hiërarchie ingericht.

Ons volk wou niet langer dulden de decreten tegen de priesters die weigerden trouw te zweren voor de burgerlijke inrichting van de geestelijkheid. Het verbod van de openbare eredienst uit te oefenen, het sluiten der kerken wekten algemene ontevredenheid. De misnoegdheid bereikte haar toppunt toen alle jonge mannen van 20 tot 25 jaren oud door de conscriptie in de Franse legers werden ingelijfd (1798). Er kwam opstand. De BOERENKRIJG, beter georganiseerd dan men het wel gewoonlijk voorstelt, werd door de uitgewekene edelen en notabelen, ook wel door Engeland gesteund. Dit land zond wapens en munitie, maar de beloofde hulp met zeemacht en landingstroepen bleef uit. Na afwisselende kansen en plaatselijke nederlagen kwam de eindslag te Hasselt, waar de Boerenverslagen werden op 5 december 1798. De priesters werden ervan beschuldigd de opstand te hebben aangestookt. Om deze en andere redenen werden 7 000 onder hen tot verbanning veroordeeld. Maar de Fransen konden er maar 500 arresteren.

Het laatste revolutionaire bewind in Frankrijk ging ten onder in de verwarring, anarchie en samenzweringen. Door zijn succesrijke veldtochten met roem overladen, voerde generaal Napoleon Bonaparte een staatsgreep uit op 19 Brumaire, jaar VII der Franse Republiek (1799). Hij werd dan eerste consul.

De kerkvervolging hield op tengevolge van een Concordaat gesloten in 1802 met Paus Pius VII. De eredienst werd hersteld, de kerkelijke goederen, welke reeds verkocht waren, mochten in handen blijven van de nieuwe bezitters, maar de seculiere geestelijken zouden voortaan een jaarwedde ontvangen van de Staat.

De inrichting van een bestuur van de rechtstreekse belastingen, van een rechterlijke macht met Hoven van Beroep, een staatsonderwijs met verschillende graden: dat waren al middelen om orde en vrede en berusting onder het volk teweeg te brengen. Er werd ook een bank gesticht met gezond beheer; er werden voortaan bankbiljetten uitgegeven gesteund op solide tegenwaarden. Zij zouden de waardeloze assignaten vervangen. Nadat Napoleon als Keizer gezalfd was (2 december 1804), streden ook Belgen in de Franse legers bij de grote veldtochten van Napoleon I, maar ons vaderland had geen voordeel hierbij. De heerschappij van Napoleon werd hier aanvaard zolang hij de overwinnaar was.

* * *

De hervormingen welke Jozef II langzamerhand, maar toch min of meer dictatoriaal wou invoeren, werden door de Franse Republiek met geweld opgelegd. De misnoegdheid ontstond vooral omwille der belastingen, waarover de Staten van Brabant en ook die van de andere gouwen niets meer zouden te zeggen hebben; over de centralisatie van het bestuur en van het gerecht met afschaffing van het plaatselijk recht en lokale bevoegdheid. Verder de burgerlijke regeling van kerkelijke en godsdienstige zaken, en daarbij nog achteraf het verbod van openbare kerkelijke plechtigheden, de geleidelijke verkoop van kerkgoederen. Eindelijk verplichte de legerdienst als Franse soldaten voor de jongens van 20-25 jaar.

Terug naar menu