GRENZEN VAN HENEGOUW EN BRABANT IN DEZE STREEK.
Toen Willem III, graaf van Henegouwen door zinneloosheid onbekwaam geworden
was tot regeren, werd Aubert van Beieren regent. Zeger II, vader van Walter IV
van Edingen, was in een samenzwering tegen Aubert betrokken geweest. Deze hield hem aan en deed hem onthoofden. Vandaar
oorlog tussen de heren van Edingen en Aubert. De heren gelukten er in de hertog
van Brabant en de graven van Luxemburg en Vlaanderen er bij te betrekken. Aubert
had het kasteel van Edingen in staat van verdediging doen stellen. Het werd
evenwel bij verassing genomen en Henegouwen werd verder het slachtoffer van
allerlei gewelddaden. Er kwam dan wapenstilstand, akkoord, en daarna terug
strijd. Dan weer eens strijd, en nog eens wapenstilstand die weer verbroken
werd. Aubert belegerde op zijn beurt het kasteel van Edingen, werd verslagen,
maar herbegon. Nochtans bereikte men geen beslissing. De hertog en de hertogin
van Brabant bewerkten de vrede. Walter IV zou Edingen, als afhankelijk van
Henegouwen, herkennen. Maar kort daarop sneuvelde hij op 20-jarige ouderdom te
Gent in een hinderlaag, toen hij daar na het beleg en de plundering van
Geraardsbergen was toegekomen (1381). Zijn oom Engelbert wilde hem opvolgen,
maar Aubert van Beieren gaf de leen in Henegouw aan een oudere oom : Louis de
Conversan. Engelbert bekwam als leen van Brabant de domeinen van Tubeke, Beert,
Beringen en Bogaarden. Zo kwam “Klein Waals-Brabant”, land van Edingen, tot
stand (1383). De hoge rechtsmacht of tenminste de uitvoering der vonnissen bleef
aan de heer van Edingen voorbehouden.
Beert, Bogaarden, Leerboek en gedeelten van het huidige grondgebied van Pepingen,
namelijk Beringen en Kestergat, waren van oude ingedeeld bij Waals-Brabant,
onder meierij Nijvel. Met vier Waalse dorpen: Tubeke, Roosbeek, Hennuyères en
Ronquières, maakten deze Vlaamse dorpen een geheel uit dat men noemde "die
dorpen sheeren van Edingen" (1490); "octo villae domini de Edinghen" (1383);
"les huit villages du sire d'Enghien”; "les sept villes que on dist le Petit
Brabant terre d’Enghien”; "de negen duytsche dorpen onder Edinghen”; "francq
petit romat Brabant" en "Klein Waals Brabant".
Beert en Bogaarden waren Brabantse enclaves (eigenlijk vier afzonderlijke
stukken) in het graafschap Henegouwen.
Het om- en tussenliggend grondgebied Brabant en Henegouwen geven ten andere de
indruk van betrekkelijk laat bepaald te zijn geworden : een afbakening veeleer
van niet meer al te nauw gekende feodale rechten, waar een transactionele lijn,
dwars door de velden, een einde moest stellen aan de betwistingen. De indeling
der akkers en het wegennet zijn zonder twijfel veel ouder dan die onnatuurlijke
gemeente en staatsgrenzen. Oude parochiegrenzen en parochieaangelegenheden
kunnen ook nog aanwijzingen bezorgen.
Zo treft men op Beert "lampengoed" aan van de kerken van Leerbeek, Bellingen,
Bogaarden en Heikruis. Het is alsof de hier genoemde gemeenten hier eenmaal een
geheel hebben uitgemaakt, als afhankelijkheden van Halle, en dat de scheiding
maar tot stand gekomen is na de volledige gemeentelijke en parochiale
organisatie.
Halle en Herne waren oude bezittingen van het Kapittel van Ste-Waudru te Mons,
waarvan de Henegouwse graven de wereldlijke abten waren. Er wordt algemeen
aangenomen dat die bezettingen van Ste-Waudru definitief bij Henegouwen
ingelijfd werden in het begin van de XIde eeuw. De grensafbakening tussen
evengemelde gemeenten werd wellicht toen uitgevoerd.
Beert, Leerbeek, Beringen (Pepingen) en Bogaarden, de vier Vlaamse dorpen van
Waals-Brabant, schijnen, in de vroege Middeleeuwen, deel te hebben uitgemaakt
van de uitgestrekte goederen die het Kapittel van Nijvel in Zenne-Brabant bezat.
Nijvel had rechten op de kerken van Kester Herfelingen, Oetingen en Gooik in
1640. Door het feit dat de Brabantse hertogen het wereldlijke voogdijschap
waarnamen over het Nijvelse Kapittel, kwamen die bezittingen onder het
hertogelijk gezag. Dit verklaart waarschijnlijk waarom bovenvermelde dorpen
onder Brabant bleven, terwijl Halle en andere omliggende plaatsen bezittingen
van het kapittel van Ste-Waudru te Mons, met de Henegouwse graaf als voogd, ten
slotte onder Henegouwen kwamen.
Gans de heerlijkheid van Edingen verhief in den beginne van de hertogen van
Lotharingen, tot dat de vereniging kwam met het graafschap van Brabant of het
“Pagus Braebatensís”, met Henegouwen, gedurende de eerste helft der XIIde eeuw.
Vanaf die tijd bleef Klein Waals Brabant alleen afhankelijk van het hof van
Genappe.. Maar de heren van Edingen, zoals reeds vermeld, bleven hun oude
Brabantse soevereinen uiterst genegen. Hugo van Edingen, zoon van Engelbert I,
vermeld in 1092, zwoer in 1130 trouw aan Godfried met den Baard, en daarna eerst
ging hij verhef doen van zijn leven bij de graaf van Henegouwen, nadat de “Pagus
Braebatensis” ingelijfd was bij Henegouwen. Twee jaar nadien erkende hij terug
het gezag van de Heer van Leuven.
In oktober 1189 werden op de plaats te Heikruis, gedurende drie dagen
besprekingen, gehouden. Hendrik I, hertog van Brabant en Boudewijn van
Henegouwen vernieuwen er, mits enkele veranderingen, het Verdrag van Kaiserwerth.
De oorlog zou terug onder beiden herbegonnen zijn indien Philip van de Elzas,
graaf van Vlaanderen, en Philips van Heinsberg, aartsbisschop van Keulen, niet
aangedrongen hadden om dit akkoord tot stand te brengen.
De graven van Leuven, vanaf Godfried I met de Baard (+ 1139) tevens hertogen van
Neder-Lotharingen, breidden als wereldlijke voogden over Nijvel hun gezag uit
ten nadele van het Kapittel, eigenden zich het grondheerschap toe en legden de
hand op de parochiale rechten van het Kapittel, o.a. te Beert.
De grondheerlijkheid op de 7 of 8 dorpen gaven zij als leen aan de kasteleinen
van Brussel. Door het huwelijk van Gozewijn van Edingen, broeder van de heer van
Edingen Hugo (vermeld 1121), met Gilleta, dochter van de Brusselse kastelein,
ging geheel dit leengoed over maar het huis van Edingen.
Gepraamd door de kerkelijke overheid, stond de hertog, als leenheer, zijne helft
der tiende af aan het Kapittel van Brussel. Engelbert, zoon van Gozewijn, schenk
de helft, zijn aandeel, als vazal, in 1213 aan de pas gestichte abdij van
Bellingen (Ecclesia B. Marie de Cantimpreto). Beide instellingen bleven in het
bezit er van tot op het einde van het Oud Regiem .
De boven aangehaalde verwarring op de grenzen heeft ook zijn weerslag gehad op
Heikruis
Boutebrugge had een deel zijner landerijen op Heikruis. Door huwelijk heeft zij
een honderdtal jaren van Te Rijst Heikruis geweest. (En 1345, jour de St-Marc,
Walter d’Enghien autorise la fondation d'une cappellenie à l’église paroissiale
d'Enghien, fondation faite par Isabeaus de Rotobrughe (Boutebrugge), veuve de
Watiers dou Risoit (+ 7.IV.1339) : elle donne 5 bonniers a Hautecroix et 14
situés a Castre (Archives de la Cure d'Enghien, cit. Matthieu, Hist. d'Enghien.).
Het hof Ten Bosch was na het einde van het Oud Regiem nog ook burgerlijk bij
Heikruis; Ter Haept was bij Ter Rijst en tot 1902 geestelijk bij Heikruis.
Het hof Te Tasseniere behoorde tot de heerlijkheid Waver-Puttenberg (Pepingen).
De Geeterij was Heikruis tot nabij de kerk van Bogaarden. Aan de molen van Te
Rijst en aan de Kapel van Terlinden, is de grens ook eigenaardig, en er is daar
een deel burgerlijk Herfelingen en geestelijk Heikruis.
In 1226 bevestigt Engelbert van Edingen een gift, gedaan door Eggeric de Risoir
aan de abdij van Cantimpret te Bellingen, van landerijen en inkomsten te Herne,
Bogaarden, Heikruis, Kester, enz.
De Kerk van Heikruis had te Beert verscheidene stukken land. Op de verhuring van
1827 staan er nog zeven vermeld. De stukken onder Beert, toebehorende aan de
Kerk van Heikruis, waren op kadaster aangeduid in 1827: wijk Koekem, A, nrs 142,
308,102, 387 en 406.
Op Beert, zegden we reeds, had de Kerk van Heikruis lampengoed. De abdij van
Bellingen moest haar jaarlijks vier pond was leveren. De Cisterciënzernonnen van
Wauthier-Braine moesten als eigenaressen van Boutebrugge aan de Kerk van
Heikruis een mudde keren op vijf dagwand land, gelegen op Bogaarden.
* * *
Karel de Grote regeerde van 768 tot 814. Hij overmeesterde de opstandige Saksers;
een deel werd uitgeroeid en buitendien werden duizenden gezinnen naar Vlaanderen
en Brabant overgeplaatst tot het einde der VIIIe eeuw. Het rijk van Karlemagne
verbrokkelde en verzwakte tot aan zijn dood immer meer. Kwamen dan de invallen
der Noormannen (uit Scandinavië). Deze vestigden hun kampen in de vruchtbare
Henegouwse vlakten en zwerfden vandaar uit voor hunne rooft vochten. De inwoners
vluchtten naar haastig opgeworpen vestingen-castra (Kester).
Arnulf van Carinthië, koning van Germanië, op wie de Lotharingische heren beroep
hadden gedaan, versloeg de Noormannen, die van Maastricht op Leuven waren
teruggetrokken, de 31 Oogst 891, bij Ten Hove op de oevers van de Dijle. In 892
waren zij voorgoed weg, vertrokken naar Engeland. Van 850 tot 879, en zelfs tot
in 881 kwamen zij in Brabant. Hunne laatste veldtochten kwamen voor in
890-892.
Lettelingen of Oud-Edingen wordt eerst vermeld in 956, Heikruis in 1024, maar
zij moeten toen al sinds een tijdje bestaan hebben. Lettelingen gelegen aan een
kruispunt en de baan Asse-Bavay, bestond zeker in den tijd der Noormannen;
wellicht was Oud-Edingen al een voortzetting van vroegere vestiging. De
beroering verwerkt door de strooptochten der Noormannen en daarbij het gevaar
dat in bossen rond Te Rijst ongure elementen de baan zouden kunnen onveilig
maken, zullen er wel aanleiding toe gegeven hebben dat Hade een vooruitgeschoven
post van Lettelingen ging inrichten. Hij bouwde een “villa”, namelijk in het
Raspaillebos. De heer van Edingen heeft waarschijnlijk de andere kant, naar
Bierk toe, voor zijn rekening genomen. Hij bouwde op een hoge motte een
jachthuis dat als post kon dienen tegen aanvallen uit de Zennestreek. Deze motte
was omringd van een flinke wal en bood de mogelijkheid van de omliggende weiden
te overstromen.
* * *
|