MEER ZEKERE GESCHIEDENIS.
De Kelten, die vroeger onze streken bewoonden, werden in de 3e eeuw verdreven
door Germaanse stammen. Van deze oudste tijden - steentijdperk - werden vondsten
gedaan in de streek, namelijk te Hoven. De oude Germanen bevolkten de streek
niet zeer dicht. Tussen Dijle en Zenne, ten Oosten en Schelde, ten Westen, dus
ook hier, woonden de Nerviërs. Hun hoofdstad was Bavay.
De verovering onzer streken door de Romeinen ging niet zonder moeite. Na de
onderwerping der Belgen was Caesar, de oppergeneraal der Romeinen, naar Engeland
getrokken. Na een voorspoedige veldtocht kwam hij terug in ons land. Maar het
was hier juist een slechte oogst geweest. Caesar moest zijn legers
winterkwartier laten nemen in drie verschillende streken. Eén leger, dat van Q.
Cicero, kwam hier bij de Nerviërs terecht. Het was een hard en wild volk, zeer
strijdlustig. Dit had Caesar vier jaar tevoren bij een slag nabij de Selles
ondervonden: amper 500 strijdbare Nerviërs waren na de nederlaag overgebleven.
Zij zouden nu eens weerwraak halen met de hulp der Eburonen. Caesar lag te Bray
op de Semme en snelde Cicero ter hulp. Onderwege haalde hij 400 ruiters bij en
dan nog twee legioenen; als voetvolk had hij in de geheel 7000 man. Hij toog op
de weg op van Bavay uit. Deze baan was toen nog niet aangelegd met lagen stenen
en steenslag, maar bestond, minstens voor een groot deel, als de Schapenweg der
Nerviërs. Van Edingen tot Kestergat was de baan later Postweg en Cauchie
genaamd, die ook aansluiting met Halle en Tongeren gaf.
Waar had Q. Cicero zijn kamp aangelegd? De aanduidingen van J. Caesar over zijn
dagmarchen en afstanden zijn onvoldoende om een wel bepaalde plaats met
zekerheid aan te duiden. Had Cicero voor zijn winterkwartieren een nieuw kamp
aangelegd of gebruikte hij een reeds bestaande? Werden op plaatsen waar dat kamp
kon zijn, wapen of Romeins krijgstuig gevonden? Kolonel Monnier beweert dat de
tweede slag tegen de Nerviërs en Eburonen te Steenkerke zou geweest zijn, maar
van die tijd werd aldaar niets van die aard aangetroffen. Doornik en Velzike
waren ook kampen. Op drie plaatsen was er een beek, zoals Caesar het beschrijft:
te Steenkerke een beekje dat in de Zenne vloeit, te Doornik, de Rone, en te
Velzike, de Zwalm. Een belegerd kamp te Doornik kon van Bavay uit gemakkelijk
bereikt worden. Daarbij, de grens van het gebied der Nerviërs was aan de
Schelde, en het is begrijpelijk dat de Nerviërs gemakkelijk met de Eburonen
optrokken om de Romeinen over hun grenzen te jagen.
Caesar won de slag. Zoals na de nederlaag aan de Selle zullen de Nerviërs, deels
naar het Noorden, bij de Zeeschelde, deels ook met de Eburonen naar de Zenne toe
gevlucht zijn. Op- en aftocht van het leger gebeurden dan ook deels over
Heikruis.
* * *
Gaius, Julius Caesar, de voorname Romeinse staatsman en veldheer, had Gallië
hoofdzakelijk in 58-57 vóór Christus veroverd.
De Romeinen verbeterden de oude wegen en trokken ze recht. Zij legden ook nieuwe
banen aan, die veelal gemaakt werden met onderaan boomstammen en dan drie lagen
grote stenen, alles tesamen tot 1,25 m dik. De breedte der banen was 6 á 7 m.
Men herkent gemakkelijk de Romeinse baan hieraan dat ze recht doorloopt. Alleen
voor een moeilijk te overwinnen hinderpaal gaan ze er rond om dan terug recht
door te lopen. In heuvelachtige streken werden zij op halve hoogte aangelegd, om
van water en regen minder last te hebben, en ook, voor meer veiligheid, om het
overliggende te kunnen overschouwen. Er waren langsheen de baan paardenposten, "mutationes",
om van rij- en voerpaarden te kunnen wisselen. Ook waren er op afstand
verblijfplaatsen, "mansionen", om er te overnachten; ook hier en daar versterkte
posten en kampen. De bezetting der streek was niet zeer dicht.
Toen er vanaf de eerste helft der IIIde eeuw tot in het begin der Vde, Franken
van over de Rijn (Ripuarische) en van aan de IJssel (Saalfranken) volop inweken,
legden zij langsheen de banen "villa's" aan landbouw en handelsinrichtingen, of
meer nog, namen zij vroegere kouters in het bezit, en herbouwden de woonsten en
bijhorigheden. Dit gebeurde meestal langsheen de baan: zo ontstonden baandorpen.
Zo kwam het dat hier Plutsingen ontstond. Maar wegens de aanleg van de nabije
Romeinse baan verloor de Postweg aan belang en groeide Plutsingen niet op tot
dorp, maar bleef een wijk. In Lettelingen – “Vethus Anghia” of Oud Edingen -
sloot bij de baan van Bavay aan. De Postweg liep er door over Hoves verder naar
Doornik : geen wonder dat Lettelingen een dorp werd en dan nog voorposten en
afhankelijkheden op Heikruis.
De Romeinse banen werden niet altijd volgens gans nieuwe richting en verloop
aangelegd. Zo was de baan Asse-Bavay enkel een rechttrekking en versteviging van
de oude Schapenweg der Nerviërs. In latere tijden bleef de baan ook niet altijd
op dezelfde plaats: zo b.v. de baan Asse-Bavay te Kester en Herfelingen. De
kromming in Kester is slechts ontstaan in 1638. In 1575 liep zij nog langsheen
de dorpskerk in Kester. Achter de kerk van Kester zal zij waarschijnlijk
doorgelopen hebben langs Kesterveld-Kestergat, waar vermoedelijk het “Castrum”
was. Verder volgde de Romeinse baan de huidige postweg over Plutsingen, Ter
Linden, door het kasteelpark van Te Rijst, om dan op Kokejane aan te sluiten bij
de Cauchie. Van daar uit ging zij verder langsheen de parkmuur te Edingen naar
Hoven en verder. Zo liep zij recht door en op halve hoogte van de helling, zoals
de Romeinen gewoon waren aan te leggen.
De Postweg is een oude baan die van Anderlecht, over Vlezenbeek en Kestergat
langs Heikruis komt, de Kerkweg II achter de hoeve Fauck kruist, over de
Mortaignebeek naar Terlinden gaat en nevens de Parkhaag uitkomt op de baan
Asse-Bavay. Zij vertrekt terug van die baan aan het Kapelletje te Kokejane-Herne
en loopt over Lettelingen langsheen de parkmuur van Edingen naar Hoves.
De Romeinen zouden niet lichtvaardig hun baan volop in de vallei gelegd hebben
zoals het nu het geval is te Herfelingen. Het verloop is misschien wel geweest
langs de aardeweg die begint halverwege Kester-Leerbeek, uitkomende aan
Brug-Kester : zo is er daar nog een kronkelweg. Te Herfelingen ging de baan
misschien over een goed deel der Langestraat. Oude mensen vernamen nog van hun
grootouders dat, voor de baan aldaar gekasseid werd, men er tegen het nat
seizoen boomstammen moest inleggen. Dat zouden de Romeinen, als het maar
enigszins anders kon, vermeden hebben.
De oude wegen der Nerviërs en nog andere verloren meestal van hun belang toen er
nieuwere en betere door de Romeinen aangelegd werden. De herbergen en
afspanningen van vroeger verloren er eveneens aan, zoals wij het voor Plutsingen
deden opmerken.
De baan Asse-Bavay was van groot belang voor de bevoorrading naar Bavay toe.
Daarom ook werd zij merkelijk verbeterd en aangelegd. Zij doorliep de
vruchtbaarste streek van ons land en gaf te Asse en ook elders (Leerboek en
Lettelingen) aansluiting met andere voorname banen.
Te Kester, over een uitgestrektheid van verscheidene hectaren, links en rechts
van de Romeinse baan, vond men overblijfselen van een nederzetting : zand- en
schilferstenen, houtskool, spijkers, scherven van “tegulae” (dakpannen) en
Romeins glas- en aardewerk (Sie A nr. 264A/2, Sie D, nr 284 f). Zoals blijkt uit
de ligging meent men hier te doen te hebben met overblijfdelen van een
baanstation. Bezuiden de Bruggebeek, op het gehucht Brug (Sie C 102 d) ten
Westen van de Romeinse baan was er een begraafplaats. In 1574 vond men te Kester
een bronzen pot met 600 zilveren munten van Gordianus (238 na Christus) en
Philippus I en II (244-249 na Christus). Te Leerbeek, nabij de grens tussen
Leerbeek en Kester, werd een muntschat opgedolven waarvan het tijdstip gaat
vanaf Septimus Severus (193-211) tot Gallienus (253-268). In Herfelingen werd
ook een muntschat gevonden : er waren geen munten bij van recentere datum dan
268 na Chr.
Deze vondsten wijzen er op dat in de streek de inval der Germanen woedde in de
jaren 268 na Chr., of 275-276 na Chr.
* * *
Onder Keizer G. J. Caesar Augustus (31 v. Chr. tot 14 na Chr., was onze streek,
als België, een der drie provincies van Gallië. De andere waren Lyon en
Aquitanië.
Onder Domitiaan (82 tot 90 na Chr.) was de verdeling als volgt :
Germania I (komt overeen met het oude bisdom Maintz)
Germania lI (id. bisdom Keulen)
Belgica I (id. bisdom Trier)
Belgica II (id. Bisdom Reims).
Onze streek was ingedeeld bij Belgica II. Onze streek omvatte de gebieden der
oude stammen der Atrebaten (hoofdplaats Arras), der Morinen (aanzien als het
uiteinde van de wereld) met Teruanen als hoofdplaats (Later St-Omer en IJper),
der Menapiërs (Kassel). Ten noorden van Leie en Schelde was er voor bestuur en
aanleg van wegen, met hetgeen er nog bijbehorende, weinig gezorgd. De Nerviërs,
half uitgeroeid als zij waren werden hierbij niet speciaal ingedeeld. Zij
behoorden evenwel bij Belgica lI, hadden als hoofdstad Bavay, waren afhankelijk
van Reims, en toen zij terug talrijker waren, richtte men het bisdom
Kamerrijk-Arras op (Vde eeuw). Het had als gebied, als dan, omtrent gans
Henegouwen en het Hertogdom Brabant (de streek tussen Schelde en Dender ten
Westen met de Dijle ten 0osten. De grenzen van dat bisdom zijn nagenoeg die van
het gebied der Nerviërs.
Bij de verovering van ons land door J. Caesar werden de Nerviërs omtrent
uitgeroeid. Hun hoofdman
Boduognat was gesneuveld in 37 v. Chr. aan de boorden van de Samber. De Nerviërs
werden er, niettegenstaande de heldenmoed die hen bezielde, door de Romeinen
verpletterd : nauwelijks 500 strijdbare mannen ontkwamen. De stam der Nerviërs
had voor een lange tijd veel van zijn belang verloren. Kwam daarbij nog de
latere slag bij Steenkerke, nadat zij Q. Cicero in zijn kamp belegerd hadden.
Zij moesten het daar ook afleggen tegen de ervaren krijgsman J. Caesar. Gelukkig
nog dat deze, bij hun aftocht naar de Zennestreek niet beschikte over voldoende
troepen om ze te achtervolgen.
* * *
Onder de drang der Hunnen, die van uit Azië hun stormloop over Europa
doorzetten, kwamen de Franken vanaf de eerste helft der IIIde eeuw over de Rijn.
Zij bezetten de Kempen ongeveer 340 na Chr. Keizer Juliaan de Apostaat, laat hun
Taxandrië in 358. De Salische Franken zakken in 406 volop af naar Dijle-, Demer-
en Zennestreek, en zij bereiken het Kolenwoud. Het ging hen niet al te lastig
omdat de Romeinen het land maar oppervlakkig bezet hielden. Buiten de Romeinen
waren er in onze streek maar meestal kleine landbouwers. De Salische Franken,
komende uit het Noorden, zwenkten af van de Zenne naar het Westen tot de Dender,
Schelde en Leie. Zij vonden er goede weiden en land dat ontgonnen was door de
Belgo-Romeinen. De Franken waren hoofdzakelijk landbouwers en veetelers : zij
vonden hier hun gading.
De Salische kolonisatie gebeurde tussen 358 en, 388. Chlodovech, hun vorst,
verovert Doornik in 445. De Gallo-Romeinse veldheer Sigarius ondergaat vanwege
Clovis de beroemde nederlaag te Soissons ten jare 486. Het einde der Romeinse
overheersing was hiermede ingeluid.
De oudste Frankische namenlaag bestaat uit hoevenamen waarvan het bepalend lid
een patroniem op “inga” is. Te meer als de wijknamen daar op een vroeger
bestaande villa wijzen, nabij een belangrijke Romeinse baan, zoals die van
Asse-Bavay of een oude, later misschien secundaire Romeinse baan. Zo weten wij
dat Plutsingen (wijk van Heikruis) langsheen de oude Postweg, verder op Kokejane,
Cauchie genaamd, een der kernen is van de eerste Frankische kolonisatie in
Zuidwest Brabant : er is daar nog immer een hoeve te midden van plaatsen wier
toponiemen op een oud bestaan wijzen (zie hoger: hoeve J-Bt Galmart). Zo
eveneens aan de Romeinse Baan: Lettelingen (Oud-Edingen) en vandaar eveneens
Edingen. Zie hoger de aangehaalde aansluitingen te Edingen van oude belangrijke
banen. Het is moeilijk aan te nemen dat daar, aan het kruispunt van Romeinse en
oude banen, geen villa zou ontstaan zijn. Ten andere, in een Charter van
september 1243, waarbij Englebert II van Aynghem een gift bevestigt van een half
bunder op Helbergh, door zijn vazal Cauderon gedaan aan de Abdij van Ninove,
schijnt de benaming Aynghem wel op Adingshem te wijzen, de karakteristieke
Frankische vorm.
De vroegere “pagi” werden voortaan "gouw" en "bant" genaamd: Henegouwen (“Pagus
Hennensis”) en Brabant (“Pagus Braebatensis”)
De Merovingische koningen der Franken lieten, na een paar honderd jaren, hun
macht overnemen door de hofmeiers. De weduwe van hofmeier Pepijn van Landen
stichtte met hare dochter Gertrudis de Abdij van Nijvel, in Waals Brabant. (625
á 650). Hun domein werd er aan overgedragen. Het bestond meestal uit lenen met
vrije mannen en ook met lijfeigenen. Behoorden in deze streek tot het domein
o.a. Itter en Roosbeek (Rebecq). De Abdij van Nijvel bezat168.000 bunder en was,
na de Keizer en na de Bisschop van Luik, de grootste grondeigenaar van ons land.
De Abdij van Ste Woudrue te Mons, eveneens zeer machtig, werd opgericht in
650-700. (Het Kapittel der Kanunnikessen van Mons werd voor het einde der XIIde
eeuw omvormt in een Kapittel van Edele Kanunnikessen).
Leenroerig Tijdperk
Onder de Karlemagne werd de plaatselijke heer meer en meer de plaatselijke
regeerder. In de loop der tijden ontstond er een echt domaniale rechtsmacht. De
vorst was ver, en zijn "getrouwen", de graven, zag men maar weinig. De heer was
dichtbij : hij oefende dan ook de werkelijke rechtsmacht uit. Onder het gezag
van de heer waren verscheidene landelijke standen van wie zij de gronden hielden
welke zij bewerkten.
Zowel als de Merovingers, verleende de Karolingische vorsten immuniteiten
(vrijstellingen) aan zekere grondgebieden, zowel door geestelijke heren als door
leken gehouden. De heren die immuniteit genoten, hiervan belasting inden in de
plaats van de graaf, oefenden rechts- en politiemachten uit en riepen krijgsvolk
op. De "fidelis" (getrouwe), welke macht en gebied houdt van de vorst-, is
tegenover hem verantwoordelijk, maar ondergeschikten kunnen tegenover die
verantwoordelijke "fidelis" verplichte "obsequia" d.i. dienstbaarheid opneemt.
Evenwel verantwoordt de "patroon" bij de officiële rechtsmacht voor zijn
ondergeschikten. De kleine grondbezitters gingen stilaan hun goed in "cijnzen"
omzetten. Zij voldeden door het betalen van hun cijnsrecht. Het voordeel voor de
hogere heren was dat hun land niet braak bleef liggen.
Het kenmerk van het Karolingische Tijdperk was dat staats- en kerkelijke macht
vast verbonden waren. Om het bestaan der geestelijkheid te verzekeren, werden
haar tienden toegekend. De geestelijken stamden meestal uit de boerenstand,
zelfs waren er zonen van laten onder. De -tienden waren een belasting van 10 %
op de oogst, op de winst der nijverheid en op deze van de ambachtslieden en van
de handelaars. Zij werden verdeeld als volgt : één vierde voor de bediener, één
voor de kerk, één voor de bisschop en het laatste vierde voor de armen. Daar¬bij
kwamen de vrijwillige offeranden. Het voordeel voor de vorsten en heren was dat
het land, dat de tienden moest opbrengen, door bewerking en immer meer verzorgde
cultuur, in waarde steeg. De kerk nam als tegenprestatie op voor de verzekerde
inkomsten, allerlei sociale diensten : schoolwezen, onderwijs in alle graden,
onderstand aan de armen door liefdadigheid in aalmoezen, ook door het oprichten
van gast- en godshuizen .
Begin der VIIIde eeuw waren er maar weinig heidenen meer in onze streken. De
hofmeiers en Karolingers gaven aan de kloosters grote domeinen om alzo
godsdienst en tevens orde te bevorderen. Zij bevoordeelden ook hun getrouwen de
graven. Deze stelden ondergeschikte heren en machthebbers aan.
Hertogen en graven en andere heren stelden zich dikwijls aan dan
beschermers-wereldlijke abten der machtige stiften. Landerijen en tienden kwamen
alzo gans in handen van de wereldlijke heren. Dikwijls moesten zij later terug
kloosters begiftigen, omdat zij wat ver gegaan waren met hunne "bescherming".
Wij komen zulke feiten terloops tegen in de geschiedenis van Heikruis.
De parochiën, goederen en rechten van de Abdij van Nijvel en van het kapittel
van Mons lagen hier in de streek verspreid. Het gebied van beide had hier aan
elkaar rakende grenzen.
De hertog van Brabant stelde zich aan als wereldlijk abt van Nijvel. De abdis
was natuurlijk tegen hem niet opgewassen en liet zich nog al eens beroven.
De graaf van Henegouwen was wereldlijk abt van Ste Waudru van Mons
.Door het huwelijk van Lambrecht I, graaf van Leuven (†1015), met Gerberga,
erfdochter van de Brusselse kastelein, kwam onze streek erg onder Brabantse
invloed.
Er kwam natuurlijk naijver tussen de machthebbers van Leuven en Henegouwen, ook
al een strijd en oorlog. Het ineenstrengelen der grenzen te Heikruis wijst erop
dat er over onderhandeld werd en akkoord geslagen.
De gouw Brabant (“Pagus Braebatensis”) lag tussen Schelde (W), Rupel en Dijle
(N), Haine (Z) en het Kolenwoud en Dijle (0.). Henegouwen breidde zich ten N.W.
uit tot over de dekenij Halle(VII-XIIe eeuw).
De “Pagus Braebatensis” was ten jare 661 begrepen in Austrasië (Midden
Frankenland), vanaf 843 in Lotharingen dat eerst een koninkrijk was. Sinds 912
was het nog enkel een hertogdom, dat in 925 voergoed bij het Duitse Rijk werd
ingelijfd. Vanaf 959 behoorden wij tot het Hertogdom Lotharingen of Lothrijk.
Het land van Aalst, tot dan, deel van de “Pagus Braebatensis” werd in bezit
gesteld van Boudewijn V van Rijsel.
In 870 (Verdrag van Meessen) blijkt de Brabantgouw samengesteld te zijn uit 4
graafschappen :
1) Biest-Aalst (latere decanaten Aalst, Pamele-Oudenaarde, Geraardsbergen).
2) Chièvres (latere decanaten Chièvres en St Brixius-Doornik.)
3) Latere decanaten (waarbij Heikruis behoorde) en
4) Brussel.
* * *
In 879-880 was geheel het Noorden van de gouw Brabant in de macht van de
Noormannen. Asse was als Burcht niet langer meer veilig, en zo werd in 880 de
grafelijke burcht overgebracht naar het meer zekere Homberg-Ukkel. Vanaf 977 zou
de zetel ervan naar Brussel overgebracht worden.
In ons land heersten aanvankelijk drie voorname huizen : Vlaanderen, Namen en
Hasbanië; dit laatste met twee takken : Henegouwen en Brabant.
Lambrecht met de Baard huwde in 994 de Franse prinses Gerberga, dochter van
Karel van Frankrijk. Deze werd in 977 hertog van Neder-Lotharingen. Zo kwam de
titel van Lambrecht, toen reeds graaf van Leuven en Brussel. Door het graafschap
Brussel raakte Lambrecht reeds aan onze streek. Hoewel de hertog van
Neder-Lotharingen daaraan niet veel meer had dan een titel, was er daarmede toch
immer aanleiding om voor zekere aanspraken een schijngrond aan te brengen.
Renier Langhals (+ 916) was een kleinzoon van Lotharius I, die zelf de kleinzoon
was van Karlemagne, had de graafschappen, dus ook Brabantia, immer voorgehouden.
Renier III was de kleinzoon van Renier Langhals en werd de stamvader van het
Leuvense gravengeslacht. Van zijn zonen werd Renier IV graaf van Henegouwen en
Lambrecht met den Baard (1015) graaf van Leuven, bij akkoord tussen beide, onder
Otto II. Lambrecht hoopte van Keizer Otto, ook de titel van hertog van
Lotharingen te verkrijgen. De keizer evenwel vertrouwde de zonen van Renier
Langhals niet en schonk de titel aan het huis van Ardennen (1012). Achteraf gaf
hij aan Karel van Frankrijk, een der rechtstreekse afstammelingen van het
Karolingische huis, de titel van hertog van Neder-Lotharingen. De titel ging
over aan de zoon van Karel : Otto. Deze stierf zonder nakomelingen, en zo kwam
de titel aan Gerberna, zuster van Otto en dochter van Karel van Frankrijk, aan
haar echtgenoot Lambrecht van Leuven.
Lotharis, kleinzoon van Karlemagne

OTTO I, keizer
|
Gerbergis (weduwe van Gislebert
Broeder van Renier ll, kreeg het graafschap Brabant (Brussel) als weduwstoel. |
Lodewijk lV , koning v. Frankrijk,hertog van Neder-Lotharingen (977) |
Karel van Frankrijk
|
Otto (+ kinderloos) |
Gereberra X 994 met Lambreht van Leuven, die alzo graaf werd van Brussel en hertog van Nederlotharingen. |
|