OVERLEVERINGEN EN OUDE VERHALEN.
Over de eerste bewoners van ons land is niet veel met zekerheid geweten. Tot
omtrent 150 vóór Christus waren hier Cimbriers en Teutinen. Rond die tijd, en
ook reeds lang tevoren, moeten er geweldige inzakkingen en vloedgolven zijn
geweest, aan de Scandinaafse en Baltische kusten, ook aan het kanaal, dat tot
dan toe zeer smal was. De bevolking van die streken moest verhuizen. Zij kwamen
naar hier en naar het Rijnland, waar toen maar zeer weinig mensen woonden. In “
Histoire Primitieve des Belges” door Vanden Bogaert, Brussel, Guyot, 1903, toont
de schrijver aan dat de in IJsland bewaarde Edda en Sagen geen mythologische
verhalen, maar wel zakelijk geschiedenis zijn, door inwoners van hier en uit
Scandinavië afkomstig geschreven ten gerieve van de stamgenoten welke in het
land van oorsprong gebleven waren. Op grond van personen, volk en plaatsnamen,
tracht Vanden Bogaert aan te tonen door wie het vrij onbewoonde land hier bezet
werd. De IJslanders waren beschaafde en geletterde Scandinaviërs, om een of
andere reden uit hun land verdreven. De geschiedenis hunner voorvaderen namen
zij mee en bewaarden er afschriften van tot op heden.
De Kelten, Cimbriërs en Teutonen werden door de Belgen (Bylga = overstroomde)
voortgedreven tot in Provence. De Cimbriërs waren min beschaafd; zij droegen
zelfs mensenoffers op.
Een volk waren de Belgen eigenlijk niet, wel een groep uit allerlei stammen uit
Scandinavië, Fin- en Lapland. Bij zulke verscheidenheid was de verstandshouding
niet stevig, maar in nood en gevaar vochten zij samen als helden. De Finnen
waren veeleisend en toch min betrouwbaar. De Atrebaten (betekenis = landbouwers)
en de Henegouwers (= eendefokkers) waren Fins van afkomst.
De inwijkende Scandinaviërs waren Letten (= dynasten). Eén familie onder hen had
de voorrang, haar hoofdman was Bur. Zijn zoon was Odinn, de eerste der Asen
(prinsen). Zijn volk noemde men, naar Bur, de Eburonen, (vandaar Burbant, later
Brabant = streek door de horden gebroken of overweldigd.) De Eburonen richtten
het land in om hun hoofdstad Aken. Rond het centraal domein brachten Rath’s (cijsgronden)
tot stand, ook Skid’s (Scheid) of landbouw- en wooncentra. De koning Odinn
beschermde ze.
De Gothen (= Theocratie, door priesters bestuurd) hadden van Odinn land
verkregen, maar vielen hem later af. Nieuwe inwijkelingen kwamen, maar de Finnen
wilden hun geen land afstaan. Loki, een vroeger aangenomen Ase (prins) werd
afvallig. Hij had zich rond Spa en Chaudfontaine gevestigd: hij sloot aan bij de
ontevredenen en opstandelingen. Daarbij voegden zich nog de hier als gewone
lieden gebleven Kelten, alsook de Thurs (van aan de Ourthe). Zij waren door
Odinn begiftigd geweest, maar kwamen nu ook met gezelschap van rovers en
bandieten tegen de Eburonen in opstand. Zij riepen de Romeinse generaal C.J.
Caesar nog bij om de ingewekenen, de Belgen, te onderwerpen.
De Nerviërs (Noera-fe = herders) van onze streek en van die van aan de Samber
tot boven het Noorden van Gallië-België, waren de Scandinaviërs van afkomst en
zouden de Eburonen helpen. Bij het naderen der legers van Caesar hadden zij zich
van uit hun midgard (rond Aken) over het land verspreid. De Menapiërs (Mynni =
stroommonding) en Morinnen (môr = moeras), aan de zee gevestigd of wonend in het
Vlaanders moerasland waren ook trouw, heulden niet met de Romeinen. Maar de
Finnen: Atrebaten en Veromandiërs streden eerst wel mee, aan de Samber, tegen
Caesar, maar vielen daarna af. Commius, hoofdman der Atretaten, liep zelfs met
zijn volk over naar de legers van de Romeinen.
Graag waren de Romeinen toen tussengekomen om Gallia-Belgica te veroveren. Zij
wisten hoe gevaarlijk een heldhaftig volk kan zijn als het gedwongen is een
nieuwe woonstede te komen zoeken; zij streden om het leven. Caesar wist dat deze
inwijkelingen vroeger de Cimbriërs tot in het Zuiden van Frankrijk gedreven
hadden. De Belgen waren wel ingericht, geletterd en mochten beschaafd genoemd
werden. Zij hadden een leenroerige organisatie, waren een volk van landbouwers,
veefokkers en handelaars en kenden allerlei nijverheden.
Daarentegen, en dat wist Caesar ook, behoorden zij tot verscheidene stammen; er
waren onder hen ontevredenen en ook strevers. Van de Kelten was het kleine volk
hier gebleven en dat heulde natuurlijk met de opstandelingen tegen de Eburonen
en hun geallieerden. Daar zou Caesar gebruik van maken. De strijd was hard maar
hij eindigde met de nederlaag en uiteendrijving der Eburonen. Caesar, om ze gans
te verdelgen, zond hun nog horden rovers en plunderaars achterna.
Thor is de zoon van Odinn; zijn naam betekent: heer van een domein. Zou het
Thorhout aan Te Rijst al niet door Heidense Eburonen bewerkt geweest zijn? Een
reden voor de stichter van Heikruis, Hade, om zich op een vroeger bewerkte
kouter te gaan vestigen, en aldaar aan het Raspaillebos zijn "villa" te bouwen
en, waar nu het land er de naam (Thorhout) nog van draagt, als Kristen zijn
Kruis te planten (Namelijk op het grote grasplein voor het kasteel van Te
Rijst.).
|